Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9780

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
26-03-2012
Zaaknummer
11-84 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag Wuv-uitkering. Appellante heeft geen feiten of omstandigheden in het geding gebracht die bij verweerder bij het nemen van het eerdere besluiten niet bekend waren en die de besluiten in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/84 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], U.S.A., (appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 22 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in deze wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 oktober 2010, kenmerk BZ01194408 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2012. Daar is van de zijde van appellante, zoals bericht, niemand verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1. Appellante, geboren in 1925 in het toenmalige Nederlands-Indiƫ, heeft in april 1999 een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wuv. Die aanvraag heeft verweerder afgewezen bij besluit van

31 augustus 1999, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 maart 2000, op de grond dat niet is gebleken dat appellante vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. Evenmin heeft verweerder aanleiding gezien om appellante met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv met de vervolgde gelijk te stellen. Daarbij heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het niet toepassen van de Wuv geen klaarblijkelijke hardheid zou zijn, omdat - voor zover van belang - de bij appellante aanwezige psychische klachten niet in overwegende mate in verband staan met het wegvoeren van haar vader. Tegen het besluit van 8 maart 2000 heeft appellante geen beroep ingesteld.

1.2. In januari 2010 heeft appellante opnieuw bij verweerder een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering op grond van de Wuv. Die aanvraag heeft verweerder afgewezen bij besluit van 17 mei 2010, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat niet is gebleken dat de eerdere beslissingen niet juist zouden zijn geweest en geen sprake is van nieuwe feiten en gegevens die tot een andere beslissing zouden moeten leiden.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. De onder 1.3 genoemde aanvraag heeft het karakter van een verzoek om herziening van de onder 1.1 genoemde besluiten.

2.2. Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellante feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluiten niet bekend waren en die de besluiten in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.3. Zoals uit het voorgaande blijkt heeft een betrokkene daarin een actieve rol en ligt het op zijn of haar weg dergelijke feiten en omstandigheden aan te dragen. Hetgeen namens appellante daaromtrent is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.4. Appellante heeft bij het onderhavige herzieningsverzoek, en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, geen medische gegevens of omstandigheden naar voren gebracht die op de beoordeling van de eerdere aanvraag een ander licht werpen. In beroep is wel een rapportage overgelegd van Wilson Renfroe, Psy.D. Daargelaten dat dit rapport tardief is ingebracht, wordt met het rapport het eerder ingenomen standpunt van verweerder onderschreven. Zo vermeldt ook Renfroe dat de bij appellante aanwezige psychische klachten moeten toegeschreven aan de vele traumatische ervaringen die zij in en aansluitend aan de oorlog heeft meegemaakt en dat niet van enig verband blijkt met het wegvoeren van de vader.

2.5 Voor zover appellante met de verwijzing naar haar broer, die wel door verweerder met de vervolgde in de zin van de Wuv is gelijkgesteld, een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel, kan dit beroep niet slagen. Elk individu verwerkt de meegemaakte oorlogservaringen op zijn eigen wijze waardoor bij een medische beoordeling een vergelijking met lotgenoten niet aan de orde is.

3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan de terughoudende toetsing door de Raad doorstaan. Het ingestelde beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2012.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) R.L.G. Boot.

HD