Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9590

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
11-108 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WW-uitkering en terugvordering. Boete wegens schending inlichtingenverplichting. Het Uwv heeft een zorgvuldige schatting gemaakt van de start van de werkzaamheden voor de hennepkwekerij. Appellant was ten tijde van het opzetten van de kwekerij in een zodanige omvang werkzaam dat zijn recht op uitkering geheel is geëindigd. Het recht op uitkering is herleefd, omdat appellant als gevolg van de ontmanteling van de hennepkwekerij zijn niet verzekeringsplichtige arbeid volledig heeft beëindigd. In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn geen dringende reden als gelegen die het Uwv had moeten noodzaken om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Appellant heeft het Uwv niet geïnformeerd over zijn werkzaamheden in de hennepkwekerij. Appellant valt hierover niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt te maken. Het Uwv heeft terecht besloten tot het opleggen van een bestuurlijke boete. De opgelegde boete is evenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/108 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2010, 10/1697 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 14 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. van der Meulen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 22 februari 2012. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 12 november 2008 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een gemiddeld aantal arbeidsuren van 32,99 uur per week. Op 22 juli 2009 is een hennepkwekerij op het toenmalige adres van appellant ontmanteld. Het Uwv heeft een proces-verbaal van verhoor ontvangen van de politieregio Rotterdam-Rijnmond, waarin appellant als verdachte van het vervaardigen van softdrugs en het plegen van diefstal van energie is gehoord. Het Uwv heeft tevens een door Eneco opgestelde zogenoemde ?rapportage diefstal energie’ ontvangen. Naar aanleiding van deze informatie heeft het Uwv een nader onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport werknemersfraude van 1 oktober 2009.

1.2. Bij besluit van 17 november 2009 (besluit 1) heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant ingetrokken vanaf 17 november 2008. Volgens het Uwv heeft appellant ten behoeve van de hennepkwekerij niet verzekeringsplichtige arbeid verricht en heeft hij hierdoor per 17 november 2008 zijn hoedanigheid van werknemer geheel verloren. Tevens heeft het Uwv over de periode van 17 november 2008 tot en met 20 september 2009 een bedrag van € 15.144,61 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 1 december 2009 (besluit 2) heeft het Uwv appellant wegens schending van de inlichtingenplicht een boete opgelegd van € 1.520,-.

1.3. Bij besluit van 10 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen besluit 1 en besluit 2 gegrond verklaard. De intrekking van de WW-uitkering is beperkt tot de periode van 17 november 2008 tot 22 juli 2009. Omdat de hennepkwekerij op 22 juli 2009 is ontmanteld, is het recht op WW-uitkering per die datum herleefd. De terugvordering is verlaagd naar € 12.566,-. De hoogte van de boete is nader vastgesteld op € 1.260,-.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat op basis van het onderzoek door het Uwv niet de conclusie kan worden getrokken dat hij als zelfstandige werkzaam is geweest, althans over de periode en het aantal uren per week zoals wordt gesteld door het Uwv, en dat hij daarom geen recht heeft op een WW-uitkering. Appellant heeft aangevoerd dat hij in de strafzaak alleen verdacht is geweest van het hebben van een hennepkwekerij over de periode van 1 juni 2009 tot en met 22 juli 2009. Voorts is hij van mening dat er onvoldoende houvast is voor de schatting van het aantal gewerkte uren door het Uwv. Volgens appellant is er geen grond voor de herziening van zijn uitkering, de terugvordering en de opgelegde boete.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor een weergave van het toepasselijk wettelijk kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad voegt daaraan toe dat op grond van artikel 27a, eerste lid, van de WW het Uwv een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste € 2.269,- ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 25 van de WW. Artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt, voor zover hier van belang, dat het bestuursorgaan de bestuurlijke boete afstemt op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

4.2. Uit de ?rapportage diefstal energie’ van Eneco blijkt dat er op 22 juli 2009 in de aangetroffen hennepkwekerij een dikke laag stof zat op de aanwezige assimilatielampen, het witte filterdoek van de aanwezige koolstoffilters was verwijderd mogelijk omdat dit filterdoek sterk was vervuild, dat er op de vloer afvalbladeren en resten van hennepplanten lagen kennelijk afkomstig van een eerdere hennepoogst en dat het watervat, dat diende voor de watertoevoer van de hennepkwekerij, aan de zijkant was voorzien van een dikke kalkaanslag. Op grond van deze bevindingen is in de rapportage geconcludeerd dat de hennepkwekerij al geruime tijd in het pand aanwezig was en wordt uitgegaan van drie volledige hennepoogsten van 70 dagen en een deel van een hennepoogst van 35 dagen. Het Uwv heeft tevens rekening gehouden met de eigen verklaring van appellant dat hij twee weken bezig is geweest met het installeren van de apparatuur voor de hennepkwekerij. Op grond van deze gegevens heeft het Uwv de intrekking van de WW-uitkering vanaf 17 november 2008 gehandhaafd. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat het Uwv een zorgvuldige schatting heeft gemaakt van de start van de werkzaamheden voor de hennepkwekerij.

4.3. Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot startdatum van de hennepkwekerij leidt niet tot een ander oordeel. Het Uwv heeft een eigen onderzoeksplicht en de bestuursrechter is bij de vaststelling van de feiten en de beoordeling van het hem voorgelegde geschil niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijke procedure is geoordeeld. In een strafrechtelijke procedure ligt bovendien een andere rechtsvraag ter beantwoording voor die aan de hand van de eigen criteria uit het strafrecht wordt gewaardeerd.

4.4. Wat betreft de omvang van de werkzaamheden is van belang dat appellant, blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank, heeft verklaard dat hij in de twee weken die hij bezig was met het installeren van de hennepkwekerij gedurende een week voltijds heeft gewerkt. Gelet op deze verklaring alsmede de omvang van de hennepkwekerij en de professionele aanleg en installatie daarvan heeft het Uwv terecht aangenomen dat appellant in de week van 17 tot en met 23 november 2008 minimaal 32,99 uur bezig is geweest met de installatie van de hennepkwekerij. Het risico dat deze schatting in het nadeel van appellant uitvalt komt voor zijn rekening, nu hij van zijn werkzaamheden geen opgave heeft gedaan op zijn werkbriefjes.

4.5. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat appellant ten tijde van het opzetten van de kwekerij in een zodanige omvang werkzaam was dat op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 20, tweede lid, van de WW, zijn recht op uitkering met ingang van 17 november 2008 geheel is geëindigd. Het recht op uitkering is op 22 juli 2009 herleefd, omdat appellant als gevolg van de ontmanteling van de hennepkwekerij zijn niet verzekeringsplichtige arbeid volledig heeft beëindigd. De conclusie is dat het Uwv terecht de intrekking van de uitkering over de periode van 17 november 2008 tot en met 21 juli 2009 heeft gehandhaafd.

4.6. Gelet op artikel 36, eerste lid, van de WW was het Uwv gehouden om de onverschuldigd betaalde uitkering van appellant terug te vorderen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn geen dringende reden als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de WW gelegen die het Uwv had moeten noodzaken om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering.

4.7. Voor de wijze van toetsen van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 11 maart 2009, LJN BH7780 en van 27 mei 2010, LJN BM5914. Appellant heeft het Uwv niet geïnformeerd over zijn werkzaamheden in de hennepkwekerij. Appellant valt hierover niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt te maken. Het Uwv heeft terecht besloten tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

4.8. Met betrekking tot de hoogte van de boete wordt vastgesteld dat sprake is van een ernstige overtreding omdat het Uwv als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht over een lange periode niet bekend was met de werkzaamheden van appellant hetgeen ertoe heeft geleid dat appellant over een lange periode ten onrechte WW-uitkering heeft ontvangen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid. Ook de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd geven geen aanleiding tot matiging van de boete. De opgelegde boete van € 1.260,- is evenredig.

4.9. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling van het Uwv tot schadevergoeding bestaat geen aanleiding. Het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

6. Er is evenmin aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) H.L. Schoor.

KR