Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9579

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2012
Datum publicatie
22-03-2012
Zaaknummer
11-4892 WSW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek van appellante te bepalen dat zij behoort tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening. Aan het bestreden besluit ligt een zorgvuldig onderzoek ten grondslag. Appellante heeft geen informatie overgelegd die aanleiding zou moeten geven voor het oordeel dat voor appellante andere of zwaardere beperkingen zouden moeten gelden dan waarvan de raad van bestuur in zijn besluitvorming is uitgegaan. De raad van bestuur heeft voldoende gemotiveerd dat appellante met haar beperkingen geacht moet worden arbeid in een normale arbeidsomgeving te kunnen verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4892 WSW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 30 juni 2011, 10/1046 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (raad van bestuur)

Datum uitspraak: 19 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2012. Appellante is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. J.J.M. Boot, advocaat. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.L.A.M. Stapert.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 10 maart 2010 heeft de raad van bestuur afwijzend beslist op het verzoek van appellante te bepalen dat zij behoort tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening. Daarbij is overwogen dat uit de resultaten van het verrichte onderzoek is gebleken dat appellante in staat is passende arbeid te verrichten met behulp van noodzakelijke aanpassingen, die buiten de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) gerealiseerd kunnen worden in een overigens normale werkomgeving. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 5 november 2010.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. De raad van bestuur heeft aan de afwijzing van het verzoek van appellante de rapportages van een arbeidsdeskundige en een psycholoog ten grondslag gelegd. Daarin hebben zij geconcludeerd dat er beperkingen zijn bij appellante en dat deze beperkingen nopen tot aanpassingen in het werk. Volgens de arbeidsdeskundige kunnen deze aanpassingen echter worden gerealiseerd in een reguliere functie, zonder gebruik te maken van de middelen van de Wsw. In het kader van haar bezwaar is appellante nader onderzocht door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige en een psycholoog. Ook zij zijn tot de conclusie gekomen dat er (psychische) beperkingen zijn die aanpassing in het werk noodzakelijk maken. Aan de hand van deze uitkomsten heeft de arbeidsdeskundige nogmaals geconcludeerd dat appellante met een goed begeleidingstraject in staat zou moeten zijn regulier te werken zonder inzet van middelen uit de Wsw.

3.2. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt. Appellante heeft geen informatie overgelegd die aanleiding zou moeten geven voor het oordeel dat voor appellante andere of zwaardere beperkingen zouden moeten gelden dan waarvan de raad van bestuur in zijn besluitvorming is uitgegaan. Ook in hoger beroep zijn van de zijde van appellante geen gegevens aangedragen die aanleiding geven tot twijfel aan de uitkomsten van de uitgevoerde onderzoeken en de daaraan verbonden conclusies. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor een aanvullend onderzoek door een deskundige.

3.3. Voorts heeft de raad van bestuur voldoende gemotiveerd dat appellante met haar beperkingen geacht moet worden arbeid in een normale arbeidsomgeving te kunnen verrichten. De Raad is niet gebleken dat de door de raad van bestuur noodzakelijk geachte aanpassingen om dergelijke arbeid te kunnen verrichten dermate kostbaar of ingrijpend zijn dat zij in redelijkheid niet van een werkgever in het vrije bedrijf te verlangen zijn.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2012.

(get.) K.J. Kraan.

(get.) J. van Dam.

RB