Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9578

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
22-03-2012
Zaaknummer
10-438 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De weigering toeslag op bijstandsuitkering omdat betrokkene schoolverlater is, wordt vernietigd. De beoordeling of in het geval van betrokkene sprake is van een zeer bijzonder geval heeft appellant achterwege gelaten. Betrokkene heeft in de jaren voorafgaande aan de studie waarin zij werkzaam was een inkomen gehad dat aanzienlijk hoger was dan de bedragen voor levensonderhoud die in het kader van de studiefinanciering gelden. Haar kosten van levensonderhoud, onder meer bestaande uit de kosten verbonden aan het bewonen van een woning, waren dan ook substantieel hoger dan wat voor een gemiddelde student gebruikelijk was. Dat betrokkene, gelet op haar leeftijd, de afzienbare studieduur van twee jaren en de verwachting na afronding van die studie weer inkomen uit arbeid te verwerven waarmee zij ruimschoots in haar kosten van levensonderhoud zou kunnen voorzien, tijdens haar studie het uitgavenpatroon niet in neerwaartse zin heeft bijgesteld tot aan het niveau van de studiefinanciering is niet onbegrijpelijk te achten. Het voert in ieder geval te ver om, zoals appellant heeft gedaan, de handelwijze van betrokkene aan te merken als een ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid. De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat appellant had dienen te onderzoeken of het bedrag van de voor betrokkene van toepassing zijnde bijstandsnorm nog aansluit bij haar noodzakelijke kosten van bestaan en dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet op een draagkrachtige motivering berust.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 8
Wet werk en bijstand 18
Wet werk en bijstand 25
Wet werk en bijstand 28
Wet werk en bijstand 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/102
JWWB 2012/65
RSV 2012/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/438 WWB

11/7291 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Deventer (appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 december 2009, 09/739 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 13 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door F.L.H. Deuzeman. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door [F.].

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, geboren [in] 1980, heeft op 7 juli 2008 het diploma Dierenartsassistent Paraveterinair behaald. Tijdens de tweejarige opleiding ontving betrokkene studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000

(Wsf 2000), bestaande uit een basisbeurs, een aanvullende beurs en een lening voor een uitwonende. Na afronding van deze opleiding heeft betrokkene enkele weken als thuishulp gewerkt.

1.2. Op 5 september 2008 heeft betrokkene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. Bij besluit van 11 september 2008 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 25 augustus 2008 bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend. Appellant heeft betrokkene tot 1 februari 2009 niet in aanmerking gebracht voor een toeslag, omdat zij - kort gezegd - schoolverlater is. Bij besluit van 17 maart 2009 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar van betrokkene dat gericht was tegen de geweigerde toeslag ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1 ligt ten grondslag dat betrokkene alleenstaande schoolverlater is en dat op grond van de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2008 van de gemeente Deventer (Toeslagenverordening) er niet van kan worden afgezien de toeslag gedurende zes maanden op 0% vast te stellen, ook al is aan betrokkene ontheffing verleend van de actieve arbeidsverplichtingen. Appellant is niet gebleken van dermate bijzondere omstandigheden die leiden tot onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 15 van de Toeslagenverordening, zodat geen aanleiding bestaat om ten gunste van betrokkene af te wijken van de bepalingen van deze verordening.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat betrokkene als schoolverlater als bedoeld in artikel 28 van de WWB en artikel 6 van de Toeslagenverordening moet worden aangemerkt, zodat zij in beginsel niet in aanmerking komt voor een toeslag als bedoeld in artikel 25 van de WWB. De rechtbank heeft overwogen dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat betrokkene vanwege haar arbeidsverleden en haar woonsituatie een hogere levensstandaard heeft dan voor studenten gebruikelijk is en dat zij zich daardoor wezenlijk onderscheidt van een gemiddelde student. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant ten onrechte volstaan met de vaststelling dat betrokkene schoolverlater is en had hij nader dienen te onderzoeken of de toegekende bijstand nog aansluit bij de noodzakelijke bestaanskosten van betrokkene.

3.1. Appellant heeft zich gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Appellant is van mening dat betrokkene, die na de beëindiging van haar betaalde arbeid heeft gekozen voor een studie van twee jaar, bij aanvang van die studie haar hogere levensstandaard in overeenstemming had dienen te brengen met de levensstandaard die gebruikelijk is voor studenten. Door dit na te laten heeft betrokkene bewust gekozen voor hogere bestaanskosten, die niet geheel kunnen worden gezien als noodzakelijke bestaanskosten. Tijdens de studie had betrokkene te hoge bestaanskosten en heeft zij zelfs bij familieleden moeten aankloppen voor financiële steun. Deze keuze kan niet worden afgewenteld op de WWB. Voorts is appellant van mening dat toepassing van de schoolverlaterskorting niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 15 van de Toeslagenverordening. Deze korting geldt slechts voor een periode van zes maanden en gedurende die periode kunnen familieleden betrokkene, net zoals tijdens haar studie, mogelijk financieel bijstaan. Voor zover dat niet het geval is, is volgens appellant sprake van ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid omdat betrokkene gedurende de twee jaar van de opleiding een te hoge levensstandaard heeft aangehouden in plaats van deze aan te passen aan een levensstandaard die gebruikelijk is voor studenten.

3.2. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit van 19 januari 2010 (bestreden besluit 2) het bezwaar tegen het besluit van 11 september 2008 in zoverre gegrond verklaard dat aan betrokkene over de periode tot 1 februari 2009 een toeslag van 2/7 deel van 20% toegekend. Daaraan ligt ten grondslag dat betrokkene destijds gedurende vijf dagen per week in een inrichting verbleef en bijstand ontving voor 5/7 deel van de norm voor een alleenstaande die in een inrichting verblijft en voor 2/7 deel van de norm voor een alleenstaande. De Raad merkt het bestreden besluit 2 aan als een besluit dat met toepassing van de artikelen 6:18, eerste lid, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb mede in de beoordeling zal worden betrokken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 28 van de WWB kan het college voor de belanghebbende die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding de norm of de toeslag, bedoeld in artikel 25, gedurende zes maanden na het tijdstip van die beëindiging lager vaststellen, indien voor het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten. In de Memorie van Toelichting op dit artikel is vermeld dat de bijstandsuitkering - veelal aanmerkelijk - hoger ligt dan de bedragen voor levensonderhoud die in het kader van de studiefinanciering gelden. Waar de belanghebbende tijdens de studieperiode de bestedingen heeft afgestemd op het beperkte inkomen uit studiefinanciering, nemen zijn noodzakelijke bestaanskosten niet onmiddellijk toe als hij zijn studie beëindigt en als schoolverlater op bijstand aangewezen raakt.

4.2. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30 van de WWB. Artikel 30, eerste lid, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad in de verordening vaststelt voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Het derde lid bepaalt dat in de verordening uitsluitend verhogingen of verlagingen als bedoeld in de artikelen 25 tot en met 29 worden vastgesteld. Ingevolge het vierde lid vindt verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de toeslag plaats onverminderd artikel 18, eerste lid, van de WWB.

4.3. Artikel 18, eerste lid, van de WWB bepaalt dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

4.4. Ter uitvoering van de artikelen 8 en 30 van de WWB heeft de raad van de gemeente Deventer de Toeslagenverordening vastgesteld. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, van de Toeslagenverordening wordt de toeslag vastgesteld op 0% van het netto minimumloon indien de alleenstaande of alleenstaande ouder recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding indien voor het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wsf 2000. Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Toeslagenverordening is van een recente beëindiging van de deelname aan onderwijs of beroepsopleiding als bedoeld in het eerste lid sprake zolang nog geen periode van een half jaar is verstreken, gerekend vanaf het tijdstip van die beëindiging.

4.5. Ingevolge artikel 15 van de Toeslagenverordening kan appellant in bijzondere omstandigheden ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

4.6. Niet in geschil is dat betrokkene is aan te merken als schoolverlater als bedoeld in artikel 28 van de WWB en artikel 6 van de Toeslagenverordening.

4.7. Appellant heeft blijkens bestreden besluit 1 en het hoger beroepschrift uitsluitend beoordeeld of in de situatie van betrokkene sprake is van bijzondere omstandigheden die leiden tot onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 15 van de Toeslagenverordening. Een dergelijke beoordeling is identiek aan de beoordeling of de bijstand van betrokkene is afgestemd op haar omstandigheden, mogelijkheden en middelen, zoals artikel 18, eerste lid, van de WWB voorschrijft. Volgens vaste rechtspraak, waaronder CRvB 24 november 2009, LJN BK5133, is voor verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de toeslag op grond van art. 18, eerste lid, van de WWB plaats in zeer bijzondere gevallen. De beoordeling of in het geval van betrokkene sprake is van een zeer bijzonder geval heeft appellant achterwege gelaten.

Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de kosten van levensonderhoud van betrokkene ten tijde van haar studie hoger waren dan haar inkomen uit studiefinanciering. In het geval van betrokkene ligt de bijstandsuitkering, verhoogd met de toeslag, niet beduidend hoger dan het bedrag voor levensonderhoud dat in het kader van de studiefinanciering geldt. Derhalve wijkt de situatie van betrokkene af van die waarop de in 4.1 weergegeven wetsgeschiedenis doelt. Betrokkene heeft in de jaren voorafgaande aan de studie waarin zij werkzaam was een inkomen gehad dat aanzienlijk hoger was dan de bedragen voor levensonderhoud die in het kader van de studiefinanciering gelden. Haar kosten van levensonderhoud, onder meer bestaande uit de kosten verbonden aan het bewonen van een woning, waren dan ook substantieel hoger dan wat voor een gemiddelde student gebruikelijk was. Dat betrokkene, gelet op haar leeftijd, de afzienbare studieduur van twee jaren en de verwachting na afronding van die studie weer inkomen uit arbeid te verwerven waarmee zij ruimschoots in haar kosten van levensonderhoud zou kunnen voorzien, tijdens haar studie het uitgavenpatroon niet in neerwaartse zin heeft bijgesteld tot aan het niveau van de studiefinanciering is niet onbegrijpelijk te achten. Het voert in ieder geval te ver om, zoals appellant heeft gedaan, de handelwijze van betrokkene aan te merken als een ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid. De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat appellant had dienen te onderzoeken of het bedrag van de voor betrokkene van toepassing zijnde bijstandsnorm nog aansluit bij haar noodzakelijke kosten van bestaan en dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet op een draagkrachtige motivering berust.

4.8. Uit hetgeen in 4.7 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.9. Gelet op het verweerschrift van betrokkene van 19 februari 2010 en het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat betrokkene zich kan verenigen met bestreden besluit 2, zodat dit besluit buiten de beoordeling kan blijven.

5. Er bestaat aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 25,40, de door betrokkene gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting van de Raad. Aangezien [F.] niet kan worden aangemerkt als een door betrokkene meegebrachte getuige of deskundige, zoals opgegeven in het formulier proceskosten, komen de door haar gemaakte kosten van € 250,-- en reiskosten van € 25,40 niet voor vergoeding in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 25,40;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 447,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en R.H.M. Roelofs en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD