Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9570

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
10/5185 WWB + 10/5176 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregelen. Verlaging bijstand met 100% voor de duur van 3 en 6 maanden. Onder de gegeven omstandigheden is geen sprake van het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde of gesubsidieerde arbeid of van een situatie die daarmede op één lijn kan worden gesteld. De besluiten tot verlaging van de bijstand berusten op een onjuiste grondslag. Vernietiging aangevallen uitspraak en vernietiging bestreden besluit 1 en 2. Appellant heeft niet meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Dit kan hem worden verweten. Herroeping van de primaire besluiten. De Raad bepaalt dat de bijstand van appellanten wordt verlaagd met 20% voor de duur van één maand en met 30% voor de duur van één maand. Geen overschrijding van de redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 9, geldigheid: 2012-03-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/99

Uitspraak

10/5176 WWB

10/5185 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 augustus 2010, 09/4882 en 10/878 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (college)

Datum uitspraak: 6 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B.P.A. van Beers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 09/4545 WWB, plaatsgevonden op 24 januari 2012, waar voor appellanten is verschenen mr. Van Beers en het college zich heeft laten vertegenwoordigen door P.L.W.G. van de Molengraaf. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvangen bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Appellant is op 4 november 2008 in opdracht van het college medisch gekeurd door een arts van Reaned. Bij besluit van 7 januari 2009 heeft het college aan appellant meegedeeld dat op grond van de bevindingen van de medische keuring de arbeidsverplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB met ingang van 6 januari 2009 op hem van toepassing zijn. Daarbij is aangegeven dat appellant in staat wordt geacht om met inachtneming van een bepaalde urenopbouw bij een werkgever aan de slag te gaan. Voorts is een stapsgewijze opbouw van het aantal arbeidsuren in de eerste drie maanden vermeld.

1.3. Het college heeft appellant bij brief van 9 januari 2009 uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek op 13 januari 2009 met een personeelsfunctionaris van re-integratiebedrijf WorkstaR (WorkstaR) en een medewerker van de gemeente Roosendaal. In de brief wordt onder meer vermeld dat WorkstaR appellant de mogelijkheid biedt bij haar voor de duur van een jaar in dienst te treden en dat het een dienstverband van 40 uur per week betreft. In de brief wordt ook een urenopbouw vermeld waarmee rekening zal worden gehouden en wordt medegedeeld dat tijdens het sollicitatiegesprek onderwerpen aan bod komen zoals de inhoud van het werk en de arbeidsvoorwaarden, maar ook zaken zoals de opleidingsachtergrond, arbeidsverleden en motivatie van appellant. Verder wordt in de brief vermeld dat appellant aan het eind van het sollicitatiegesprek een werkaanbod wordt gedaan. Appellant is niet op het gesprek verschenen en heeft geen bericht van verhindering gegeven.

1.4. Bij besluit van 29 januari 2009 (besluit 1) heeft het college de bijstand over de periode van 1 maart 2009 tot 1 juni 2009 met 100% verlaagd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet op het sollicitatiegesprek van 13 januari 2009 is verschenen en daarmee heeft nagelaten algemeen geaccepteerde arbeid of gesubsidieerde arbeid voor een periode van zes maanden of langer te aanvaarden, als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder e, onder I, van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Roosendaal (verordening).

1.5. Het college heeft appellant bij brief van 26 juni 2009 uitgenodigd voor een gesprek op 30 juni 2009 met een personeelsfunctionaris van WorkstaR en een medewerker van de gemeente Roosendaal. Ook in deze brief wordt onder meer vermeld dat WorkstaR appellant de mogelijkheid biedt bij haar voor de duur van een jaar in dienst te treden en dat het een dienstverband van 40 uur per week betreft. Verder wordt vermeld dat in het sollicitatiegesprek onderwerpen aan de orde komen als de inhoud van het werk en de arbeidsvoorwaarden, maar ook zaken zoals opleidingsachtergrond, arbeidsverleden en motivatie van appellant. Daarnaast wordt in de brief vermeld dat appellant aan het eind van het sollicitatiegesprek een werkaanbod wordt gedaan. Appellant is ook op dit gesprek niet verschenen en heeft evenmin een bericht van verhindering gestuurd.

1.6. Bij besluit van 17 juli 2009 (besluit 2) heeft het college de bijstand over de periode van 1 augustus 2009 tot 1 februari 2010 met 100% verlaagd. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant niet op het sollicitatiegesprek van 30 juni 2009 is verschenen en daarmee wederom heeft nagelaten algemeen geaccepteerde of gesubsidieerde arbeid voor een periode van zes maanden of langer te aanvaarden, als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder e, onder I, van de verordening.

1.7. Bij besluit van 1 oktober 2009 (bestreden besluit 1), voor zover hier van belang, heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Bij besluit van 26 januari 2010 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade afgewezen.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het betoog van appellant dat hij volledig arbeidsongeschikt is, slaagt niet. In dit verband wordt verwezen naar de overwegingen in de uitspraak van heden in de zaak met het nummer 09/4545 WWB, waarin hetzelfde betoog is verworpen.

4.2. Het college heeft appellant ten onrechte verweten dat hij heeft nagelaten algemeen geaccepteerde of gesubsidieerde arbeid te aanvaarden, als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder e, onder I, van de verordening. Volgens de onder 1.3 en 1.5 vermelde brieven van 9 januari 2009 en 26 juni 2009 zou het namelijk pas op het einde van de betreffende gesprekken mogelijkerwijs komen tot een werkaanbod. Nu de gesprekken niet hebben plaatsgevonden en aan appellant derhalve geen aanbod om bij WorkstaR te werken is gedaan, is onder de gegeven omstandigheden geen sprake van het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde of gesubsidieerde arbeid of van een situatie die daarmede op één lijn kan worden gesteld.

4.3. Dit betekent dat de besluiten tot verlaging van de bijstand op een onjuiste grondslag berusten. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaren en deze besluiten vernietigen.

4.4. De Raad ziet vervolgens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe het volgende.

4.5. Ingevolge artikel 9, aanhef en onder b, onder II, van de verordening wordt tot een gedraging van de tweede categorie gerekend: het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, waaronder het niet daartoe verschijnen zonder bericht van verhindering. Onder een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling wordt ook verstaan een onderzoek naar de mogelijkheden tot verkrijging van gesubsidieerd werk of sociale activering als (eerste) opstap naar arbeidsinschakeling.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de verordening en de bijlage bij de verordening wordt in het geval van een gedraging van de tweede categorie bij een eerste gedraging een verlaging van 20% voor de duur van één maand opgelegd en bij een tweede gedraging een verlaging van 30% voor de duur van één maand.

4.6. Door niet te verschijnen op de gesprekken van 13 januari 2009 en 30 juni 2009 heeft appellant niet meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder b, onder II, van de verordening. Het betoog van appellant dat het niet verschijnen op de gesprekken hem niet kan worden verweten, omdat de vermelde urenopbouw in de brief van 9 januari 2009 onjuist is en omdat in de brief van 26 juni 2009 geen urenopbouw wordt vermeld, slaagt niet. Appellant had immers tijdens de gesprekken de urenopbouw aan de orde kunnen stellen. In dit verband is van belang dat in de brieven van 9 januari 2009 en 26 juni 2009 is vermeld dat tijdens de gesprekken de arbeidsvoorwaarden bij WorkstaR aan de orde zullen komen. Van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid is daarom geen sprake.

4.7. Gelet op 4.5 en 4.6 dient de bijstand van appellanten met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB in verbinding met artikel 10, eerste lid, van de verordening en de bijlage bij de verordening te worden verlaagd met 20% voor de duur van één maand en vervolgens met 30% voor de duur van één maand. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat de omstandigheden van appellanten aanleiding moeten geven om de verlaging op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de verordening te matigen.

4.8. Gelet op het voorgaande zal de Raad de besluiten 1 en 2 herroepen en bepalen dat de bijstand van appellanten wordt verlaagd met 20% met ingang van 1 maart 2009 voor de duur van één maand en met 30% met ingang van 1 augustus 2009 voor de duur van één maand.

5. Appellanten verzoeken ten slotte om veroordeling tot vergoeding van schade wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, omdat het college het bestreden besluit 1 ruimschoots buiten de voorgeschreven termijn heeft genomen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zoals de uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De procedure in deze zaak heeft in haar geheel niet langer dan vier jaar geduurd. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, bestaat geen aanleiding om van een kortere termijn uit te gaan. Volgens dezelfde vaste rechtspraak komt de Raad dan ook niet toe aan de vraag of per instantie de behandelingsduur langer is geweest dan gerechtvaardigd. Dit betekent dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade zal worden afgewezen.

6. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 1.311,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Aangezien de besluiten 1 en 2 worden herroepen wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid en in bezwaar om vergoeding van de kosten in bezwaar is gevraagd, zal de Raad het college voorts veroordelen in de kosten van bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de besluiten van 1 oktober 2009 en 26 januari 2010;

- herroept de besluiten van 29 januari 2009 en 17 juli 2009;

- bepaalt dat de bijstand van appellanten wordt verlaagd met 20% met ingang van

1 maart 2009 voor de duur van één maand en met 30% met ingang van 1 augustus 2009

voor de duur van één maand;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 193,-- vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten in bezwaar tot een bedrag

van € 644,-- en in beroep tot een bedrag van € 1.311,--, te betalen aan appellanten en in

hoger beroep tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.J.M. Heijs en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2012.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J. van Dam.

HD