Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9564

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
10-492 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eenmalige verlaging van de bijstand met € 200,-- op de grond dat door toedoen van appellant twee, voor hem in het kader van een re-integratietraject door het college geschikt geachte, functies op een zogenoemde participatieplaats geen doorgang hebben gevonden. De weigering van appellant om zijn lange baard in te korten heeft een door veiligheidsmotieven ingegeven beletsel gevormd om hem bij wijze van re-integratievoorziening de functie van beveiligingsbeambte te laten vervullen. Zo hem dit al niet in directe zin met zoveel worden is gezegd, moet hem dit redelijkerwijs duidelijk zijn geworden uit de diverse daaromtrent gevoerde gesprekken. Het had appellant ook voldoende duidelijk kunnen zijn dat de DWI belang hecht aan een eenduidige respectvolle wijze van begroeten van cliënten en collega’s en dat zijn principiële weigering om vrouwen een hand te geven een belemmering zou vormen hem, eveneens bij wijze van re-integratievoorziening, de functie van assistent bij de formulierenbrigade van de DWI aan te bieden. Appellant heeft niet aan de hand van concrete objectieve gegevens of anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat van hem op grond van zwaarwegende godsdienstige bezwaren niet kon worden gevergd zijn baard in te korten en dat hij vrouwen een hand geeft. De beroepsgrond dat appellant, gelet op een eerder gedane uitlating van toenmalig burgemeester Cohen ten aanzien van straatcoaches, met zijn opstelling niet verwijtbaar heeft gehandeld, treft evenmin doel.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/126
USZ 2012/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/492 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2009, 09/3208 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 13 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C. Walker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2012. Voor appellant is mr. Walker verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant, geboren [in] 1976, ontving een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 13 maart 2009 heeft het college de bijstand van appellant eenmalig verlaagd met € 200,-- op de grond dat door zijn toedoen twee, voor hem in het kader van een re-integratietraject door het college geschikt geachte, functies op een zogenoemde participatieplaats geen doorgang hebben gevonden. Het ging daarbij om een functie bij een beveiligingsbedrijf en om de functie van assistent bij de formulierenbrigade van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI). Bij besluit van 10 juni 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 13 maart 2009 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat appellant door te weigeren zijn baard tot een veilige lengte van drie á vijf centimeter in te korten voor de beveiligingsfunctie en door te weigeren vrouwen een hand te geven in het kader van de functie bij de formulierenbrigade de begeleiding vanuit een re-integratievoorziening naar regulier werk ernstig heeft belemmerd, waardoor hij langer dan noodzakelijk op bijstand is aangewezen. Dat een en ander zou samenhangen met zijn geloofsovertuiging als moslim is door het college niet als geldig excuus aanvaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat appellant door zijn beroep op bijstand tevens geacht moet worden de daaraan verbonden verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB te hebben aanvaard. Verder is overwogen dat het belang van het college bij de uitvoering van de WWB zwaarder weegt dan het strikt persoonlijke belang van appellant, dat de voorschriften tot het inkorten van de baard en het geven van een hand als uniforme begroetingsregel voor het bereiken van een legitiem doel passend en noodzakelijk zijn, dat van strijd met de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) geen sprake is en dat aan de uitspraken van toenmalig burgemeester Cohen van de gemeente Amsterdam in de pers geen rechtvaardiging voor de weigerachtige opstelling van appellant kan worden ontleend. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de stukken onvoldoende grondslag bieden voor de stelling dat appellant de Nederlandse taal onvoldoende zou beheersen om de onder 1.1 genoemde functie bij de formulierenbrigade naar behoren te kunnen vervullen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe heeft hij, samengevat, aangevoerd dat hij er nimmer op is gewezen dat zijn baard van 8 á 9 cm, en niet 20 á 25 cm zoals ten onrechte is gerapporteerd een veiligheidsrisico voor hemzelf en dus een beletsel voor de functie van beveiligingsmedewerker zou vormen, dat hij nimmer heeft geweigerd zijn baard af te scheren dan wel in te korten en dat niet op de rapportages van klantmanager Dekker kan worden afgegaan omdat deze niet objectief zijn. Voorts heeft appellant aangevoerd dat zijn beheersing van de Nederlandse taal ten tijde in geding onvoldoende was om de functie bij de formulierenbrigade te kunnen vervullen, dat deze functie gelet op profielbeschrijving geen publieke functie met cliëntencontact behelst zodat niet valt in te zien dat de weigering om vrouwen een hand te geven een onoverkomelijk probleem zou vormen, dat de uitlating van burgemeester Cohen dat “het geven van een hand door straatcoaches is niet noodzakelijk, als zij hun werk maar goed doen” meebrengt dat eenzelfde weigering door appellant niet verwijtbaar is te stellen en dat er voldoende andere mogelijkheden zijn om mensen op respectvolle wijze te begroeten. Appellant heeft in hoger beroep herhaald, zo begrijpt de Raad, dat als vast komt te staan dat hij geen medewerking heeft verleend aan beide re-integratievoorzieningen dit hem vanwege zijn geloofsovertuiging in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB (zoals dit luidde ten tijde in geding en voor zover van belang) is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.1.2. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.1.3. In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de door de gemeenteraad van Amsterdam vastgestelde Afstemmingsverordening (verordening), voor zover van belang, is bepaald dat de bijstand eenmalig met € 200,-- wordt verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college ernstig is tekortgeschoten in het meewerken aan een voorziening die in het kader van de WWB is aangeboden.

4.2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awgb, voor zover thans van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder direct onderscheid onder meer verstaan: onderscheid tussen personen op grond van godsdienst; onder indirect onderscheid: onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen, dat direct onderscheid tot gevolg heeft.

4.2.2. Artikel 2, eerste lid, van de Awgb bepaalt dat het in deze wet neergelegde onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid indien dat onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

4.2.3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder h, van de Awgb is onderscheid verboden bij:

a. de aanbieding van een betrekking en de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking;

b. arbeidsbemiddeling;

c. het aangaan en het beëindigen van een arbeidsverhouding;

d. (…);

e. arbeidsvoorwaarden;

f. het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding;

g. (…);

h. arbeidsomstandigheden.

4.3. Anders dan appellant meent kan uit de stukken, waarvan met name het door de trajectbegeleider Verhoeven toegezonden rapportageoverzicht, worden afgeleid dat de weigering van appellant om zijn lange baard in te korten een door veiligheidsmotieven ingegeven beletsel heeft gevormd om hem bij wijze van re-integratievoorziening de functie van beveiligingsbeambte te laten vervullen. Zo hem dit al niet in directe zin met zoveel woorden is gezegd, moet hem dit redelijkerwijs duidelijk zijn geworden uit de diverse daaromtrent gevoerde gesprekken. Dat van appellant vanwege zwaarwegende religieuze bezwaren niet kon worden gevergd tot inkorting van zijn baard over te gaan, heeft hij niet aan de hand van concrete objectieve gegevens of anderszins aannemelijk gemaakt. Appellant heeft in feite volstaan met de stelling dat sprake is van een te respecteren persoonlijke geloofsuiting maar niet aannemelijk gemaakt dat die eisen aan moslims worden gesteld en evenmin dat die uit zijn persoonlijke geloofsovertuiging voortvloeien. De Raad kan er voorts niet aan voorbijzien dat appellant, blijkens de stukken, nadien gaandeweg deze procedure kennelijk zelf alsnog tot behoorlijke inkorting van zijn baard is overgegaan. Anders dan appellant ziet de Raad overigens geen aanleiding de omtrent appellant uitgebrachte rapportage van klantmanager Dekker voor onwaar of onjuist te houden. De Raad wijst er daarbij op dat deze rapportage mede steun vindt in door anderen opgemaakte rapporten en/of aantekeningen.

4.4. Appellant kan evenmin worden gevolgd in diens standpunt dat hem vooraf niet voldoende duidelijk is gemaakt of geworden dat de DWI belang hecht aan een eenduidige respectvolle wijze van begroeten van cliënten en collega’s en dat zijn principiële weigering om vrouwen een hand te geven een belemmering zou vormen hem, eveneens bij wijze van re-integratievoorziening, de functie van assistent bij de formulierenbrigade van de DWI aan te bieden. De Raad verwijst ook hier naar het onder 4.3 vermelde rapportageoverzicht waaruit genoegzaam van het tegendeel blijkt. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting heeft het college voorts aannemelijk gemaakt dat (ook) de desbetreffende functionaris regelmatig contact met (vrouwelijke) collega’s en cliënten heeft en dat in dat kader als voorschrift of vaste gedragslijn geldt dat regelmatig een hand wordt gegeven aan zowel mannen als vrouwen.

4.5. Appellant heeft zich erop beroepen dat hij vanwege zijn geloofsovertuiging de functie bij de formulierenbrigade, zoals die volgens het college feitelijk zou moeten worden ingevuld, niet - ook niet bij wijze van re-integratievoorziening - kon aanvaarden.

De Raad is van oordeel dat appellant ook in dit opzicht niet aan de hand van concrete objectieve gegevens of anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat van hem op grond van zwaarwegende godsdienstige bezwaren niet kon worden gevergd dat hij vrouwen een hand geeft. Appellant is ook niet zelf ter zitting verschenen om dit aspect toe te lichten en zijn gemachtigde was, desgevraagd, niet in staat een dergelijke toelichting te geven. Nu het niet ongebruikelijk is dat een moslim een persoon van het andere geslacht een hand geeft had het temeer op de weg van appellant gelegen aannemelijk te maken dat zijn godsdienstige overtuiging hem verbiedt een vrouw een hand te geven, zodat dit van hem redelijkerwijs niet kon worden verlangd. Ook in dit verband kan er niet worden voorbijgezien dat appellant, zoals trajectbegeleider Verhoeven op 27 januari 2009 heeft gerapporteerd, in eerste instantie om godsdienstige redenen niet bereid was om ook maar iets aan zijn baard te doen en dat appellant, zoals geconstateerd tijdens de hoorzitting op 1 september 2009, nadien is overgegaan tot een behoorlijke inkorting van zijn baard, die hij ook regelmatig bijwerkt. Voor het standpunt dat appellant ook overigens, met name wat betreft de kennis van de Nederlandse taal, niet aan de functie-eisen zou voldoen, ziet de Raad met de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten in de gedingstukken.

4.6. De beroepsgrond dat appellant, gelet op een eerder gedane uitlating van toenmalig burgemeester Cohen ten aanzien van straatcoaches, met zijn opstelling niet verwijtbaar heeft gehandeld, treft evenmin doel. Daargelaten dat Cohen die uitlating later heeft genuanceerd, kon appellant enkel hieraan niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat zijn weigerachtige opstelling in dit concrete geval geen gevolgen zou hebben voor zijn recht op bijstand. Evenmin valt in te zien dat die uitlating ertoe zou moeten leiden dat bij appellant elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt ten aanzien van het niet voldoende meewerken aan de inschakeling in de arbeidsmarkt via de weg van een passend te achten re-integtratievoorziening.

4.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en R.H.M. Roelofs en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD