Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9465

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
22-03-2012
Zaaknummer
10-3192 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft het verzoek om uitkering ingevolge de ZW afgewezen omdat appellantes werkgever verplicht is tot loondoorbetaling tijdens ziekte. De arbeidsrelatie tussen appellante en haar werkgever is niet aan te merken als een voorovereenkomst maar als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De werkgever heeft zich in de overeenkomst niet het recht op - eenzijdige - ontbinding van het contract (met onmiddellijke ingang) voorbehouden. Van een rechtsgeldige tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was dan ook geen sprake en appellante heeft daar dus ook (met recht), niet mee ingestemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3192 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 april 2010, 09/5002 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestruur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 21 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.C. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2012. Appellante en haar gemachtigde waren aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft op 4 februari 2009 een overeenkomst met als opschrift “arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd” gesloten met [naam werkgever] (de werkgever), ingevolge welke overeenkomst zij als taxichauffeur voor de werkgever werkzaam zal zijn. In deze overeenkomst is bepaald dat de overeenkomst eindigt op 5 augustus 2009, dat de basis van de overeenkomst een nuluren oproepcontract is en dat de dagen en uren waarop wordt gewerkt in onderling overleg tussen de werkgever en de werknemer worden vastgesteld. De werknemer is niet verplicht aan de oproepen van de werkgever gehoor te geven. Op de overeenkomst is de CAO voor het taxivervoer van toepassing, terwijl in artikel 5 van de overeenkomst is bepaald dat bij tussentijdse beëindiging een opzegtermijn van een maand geldt. Appellante heeft zich, nadat zij in de betreffende week twee dagen had gewerkt, op 19 maart 2009 ziek gemeld. Bij brief van 17 maart 2009, door appelante ontvangen op 22 april 2009 - het poststempel draagt de datum 21 april 2009 - heeft de werkgever appellante bericht dat de overeenkomst met ingang van 17 maart 2009 wordt ontbonden, omdat “er momenteel te weinig opdrachten zijn”. Bij brief van 27 april 2009 heeft appellante de werkgever medegedeeld dat zij niet akkoord gaat met “de strekking van dit schrijven” en dat zij zich onverminderd beschikbaar houdt om haar werkzaamheden te hervatten zodra zij is hersteld.

1.2. Appellante heeft zich tot het Uwv gewend met een verzoek om uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 2 juni 2009 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat zij geen recht heeft op ziekengeld omdat haar werkgever verplicht is tot loondoorbetaling tijdens ziekte. Het door appellante gemaakte bezwaar tegen dit besluit is door het Uwv bij besluit van 8 oktober 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat appellante een oproepcontract is aangegaan, waarin is bepaald dat zij niet aan een oproep gehoor behoeft te geven. Deze arbeidsrelatie moet worden aangemerkt als voorovereenkomst waarbij telkens als appellante aan een oproep van de werkgever gehoor geeft een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ontstaat voor de duur van de oproep. In artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald, dat indien meer dan drie overeenkomsten voor bepaalde tijd (tussen dezelfde partijen) elkaar met tussenpozen van minder dan drie maanden opvolgen, de vierde geldt als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Nu appellante in de periode van 4 februari 2009 tot 19 maart 2009 22 maal is opgeroepen, is volgens het Uwv bij de vierde oproep een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan, zodat de werkgever verplicht is het loon op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW door te betalen. In een dergelijke situatie heeft de werknemer geen recht op ZW-uitkering.

2. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is onder andere gesteld dat er geen sprake is van 22 oproepen, maar van één oproep gedurende 22 dagen.

3. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daarbij heeft de rechtbank allereerst, mede naar aanleiding van de uitleg van appellante ter zitting, vastgesteld dat zij vanaf het begin af aan volgens een rooster werkte zodat zij steeds wist op welke dagen zij zou werken. Ingevolge dit rooster was zij de ene week van maandag tot en met vrijdag werkzaam en de andere week van maandag tot en met woensdag en op zaterdag en zondag. Er was gelet op de beschikbare gegevens sprake van een doorlopende arbeidsrelatie waarbij appellante in beginsel op dezelfde condities en afspraken als de overige medewerkers wekelijks was ingeroosterd. Het Uwv is dan ook ten onrechte uitgegaan van het bestaan van een voorovereenkomst en het telkens ontstaan van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, zodat het bestreden besluit in verband met een ondeugdelijke motivering moet worden vernietigd. De rechtsgevolgen van dit besluit kunnen echter in stand blijven omdat de werkgever, gelet op het karakter van de arbeidsrelatie, gehouden was om op grond van artikel 7:629 van het BW het loon bij ziekte door te betalen, zodat in verband hiermee geen recht bestond op ziekengeld.

4. Het hoger beroep is ingesteld tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Daarbij heeft zij erop gewezen, dat de werkgever het tussen partijen gesloten contract heeft ontbonden, zodat haar in verband met het einde van de arbeidsrelatie wel ziekengeld toekomt.

5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2. De Raad stelt met de rechtbank vast dat appellante doorlopend, volgens een vast (week)rooster, op dezelfde wijze als het overige personeel, werkzaamheden voor de werkgever verrichtte en zij in de periode van 4 februari tot 19 maart 2009 vrijwel steeds (in elke week) heeft gewerkt. Het was ook kennelijk de bedoeling van beide partijen dat van te voren vast stond wanneer er in een week arbeid zou worden verricht. Onder deze omstandigheden is geen sprake van een voorovereenkomst, maar is de arbeidsrelatie tussen appellante en haar werkgever aan te merken als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd; ook indien gesproken zou moeten worden van een overeenkomst voor bepaalde tijd met uitgeselde prestatieplicht, moet daarbij worden aangetekend dat appellante in de hier relevante periode vrijwel doorlopend arbeid heeft verricht. De werkgever heeft zich in de overeenkomst niet het recht op - eenzijdige - ontbinding van het contract (met onmiddellijke ingang) voorbehouden. Van een rechtsgeldige tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was dan ook geen sprake en appellante heeft daar dus ook (met recht), gelet op haar eerder genoemde brief van 27 april 2009, niet mee ingestemd. De werkgever was op grond van artikel 7:629 van het BW verplicht het loon tijdens ziekte door te betalen en het Uwv heeft in verband hiermee met recht gesteld, dat er op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW geen recht op uitkering bestond.

5.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad ziet geen aanleiding om een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) N.S.A. El Hana.

KR