Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9429

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
22-03-2012
Zaaknummer
10-4345 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Er is geen aanleiding het medisch onderzoek voor onzorgvuldig te houden. De bezwaarverzekeringsarts heeft inzichtelijk gemotiveerd dat geen sprake is van een toename van de beperkingen van appellante ten opzicht van de eerdere onderzoeken en dat zij daarom geschikt moet worden geacht voor haar laatst verrichte lichte productiewerk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4345 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 juni 2010, 10/397 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 21 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. Breewel-Witteveen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2012. Voor appellante is verschenen mr. Breewel-Witteveen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was tot 6 november 2008 bij [B.V.] werkzaam als algemeen (productie)medewerkster. Zij heeft zich per 26 november 2008 ziek gemeld met psychische klachten en oogklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding hebben meerdere medische onderzoeken plaatsgevonden door verschillende (bezwaar)verzekeringsartsen. Ook heeft een bezwaararbeidsdeskundige onderzoek gedaan naar de feitelijke laatst verrichte werkzaamheden. Deze onderzoeken hebben geleid tot het besluit van 9 juli 2009, waarbij het Uwv appellante heeft meegedeeld dat zij met ingang van 16 juli 2009 geen recht meer had op ziekengeld. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen dit besluit bij besluit van 11 september 2009 ongegrond verklaard.

1.2. Appellante heeft zich per 16 augustus 2009 wederom ziek gemeld met een infectie, longklachten en psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts W.J.L. van Pelt. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 1 oktober 2009 geschikt kon worden geacht voor haar laatst verrichte lichte productiewerk. Bij besluit van 30 september 2009 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij dienovereenkomstig met ingang van 1 oktober 2009 geen recht meer had op ziekengeld.

1.2. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts P. van Muijen, heeft het Uwv bij besluit van 4 december 2009 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 september 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep voert appellante, kort gezegd, aan dat haar klachten zijn toegenomen. Ter onderbouwing verwijst zij naar de in beroep overgelegde informatie van haar behandelend psychiater J. Hoeree van 18 januari 2010. Voorts heeft zij informatie betreffende afspraken en behandeling bij de GGZ, een lijst met medicatie en een indicatiebesluit van 16 augustus 2010 in het kader van de AWBZ, overgelegd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.3. De Raad ziet geen aanleiding het medisch onderzoek voor onzorgvuldig te houden. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de verzekeringsarts Van Pelt appellante op het spreekuur van 30 september 2009 heeft onderzocht en daarbij op de hoogte was van de longklachten en de behandeling bij de oogarts en de dermatoloog. Het onderzoek aan de longen leverde geen indicatie op voor forse problematiek. Van Pelt heeft te kennen gegeven dat de psychiatrische problematiek bekend is en dat uit het eigen onderzoek niet is gebleken dat sprake is van een fors gewijzigde situatie in vergelijking met de eerdere onderzoeken. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts informatie opgevraagd bij de behandelend oogarts en de huisarts van appellante. Op grond van deze informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat de oogklachten van appellante reeds lange tijd aan de orde zijn, waarbij niet is gebleken van een toename van beperkingen op oogheelkundig gebied. Daarbij heeft Van Muijen opgemerkt dat appellante met deze klachten haar werk als productiemedewerkster heeft kunnen verrichten. Bij het eigen lichamelijk onderzoek bleek niet van acute ontstekingsverschijnselen aan de luchtwegen en de kleine huidcorrectie op de kaak gaf geen aanleiding tot verzuim van enige betekenis. Nu bezwaarverzekeringsarts Van Muijen ook bij het psychisch onderzoek geen verslechtering heeft vastgesteld ten opzichte van de eerdere onderzoeken, heeft hij het standpunt van de verzekeringsarts Van Pelt onderschreven. De in beroep overgelegde informatie van psychiater Hoeree heeft de bezwaarverzekeringsarts aanleiding gegeven op te merken dat deze informatie een bevestiging is van het standpunt dat bij appellante sprake is van een zeer marginale belastbaarheid, maar dat die in de kern niet is gewijzigd. In het rapport van 2 februari 2010 geeft de bezwaarverzekeringsarts te kennen dat bij de eerdere beoordeling van de belasting in het laatst verrichte werk al rekening is gehouden met deze beperkte psychische belastbaarheid. Uit het vorenstaande volgt dat de bezwaarverzekeringsarts inzichtelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een toename van de beperkingen van appellante ten opzicht van de eerdere onderzoeken en dat zij daarom per 1 oktober 2009 geschikt moet worden geacht voor haar laatst verrichte lichte productiewerk. De in hoger beroep overgelegde informatie maakt dat niet anders nu deze informatie ziet op een periode ver na de datum hier in geding. Daarom kan de Raad daaraan niet die betekenis toekennen die appellante daaraan toegekend wil zien.

4.4. Hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) K.E. Haan.

TM