Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9428

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
10-5313 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Er is geen aanleiding de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. De bezwaarverzekeringsarts heeft inzichtelijk gemotiveerd dat appellant weer geschikt kon worden geacht voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5313 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 30 augustus 2010, 09/4208 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 21 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2012. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als productiemedewerker in een leerbewerkingsbedrijf toen hij voor dit werk per 26 mei 1998 is uitgevallen met pijnklachten en geheugenproblemen. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd die destijds 52 weken bedroeg, heeft het Uwv hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Deze uitkering is na een herbeoordeling laatstelijk per 8 november 2007 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Aan deze herbeoordeling ligt een rapport van de arbeidsdeskundige ten grondslag waarin te kennen is gegeven dat appellant geschikt kan worden geacht voor – onder meer – de functies van sorteerder/controleur, productiemedewerker afwerk en lijnoperator. Appellant ontving daarnaast een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit deze situatie heeft appellant zich per 30 juli 2008 ziek gemeld, wederom met pijnklachten en geheugenproblemen. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant twee keer het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Na het laatste spreekuur op 30 juni 2009 is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 6 juli 2009 weer geschikt kon worden geacht voor zijn arbeid. Bij besluit van 2 juli 2009 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 6 juli 2009 geen recht meer had op ziekengeld.

1.2. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts L.T.M. Lenders heeft het Uwv bij besluit van 10 augustus 2009 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 juli 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep voert appellant aan dat de OPS-klachten verdergaande beperkingen met zich brengen dan door de verzekeringsartsen is aangenomen. Door de neuropsycholoog M. Baecke en de klinisch psycholoog M.S.E. van Hout zijn duidelijke afwijkingen vastgesteld. Tevens overlegt appellant een brief van 9 november 2010 van psychiater J.J. de Jong aan de huisarts van appellant.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolgde de WAO. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

4.4. De Raad ziet geen aanleiding de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts Lenders appellant op het spreekuur van 5 augustus 2009 lichamelijk en psychisch heeft onderzocht, waarbij hij de beschikking had over de informatie van neuropsycholoog, de klinisch psycholoog en de neuroloog. Op grond van deze informatie concludeerde de bezwaarverzekeringsarts dat nog altijd niet eenduidig is vastgesteld dat de klachten van appellant moeten worden toegeschreven aan een toxische encefalopathie. Het eigen onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts heeft in fysiek en psychisch opzicht geen feitelijke beperkingen opgeleverd, waarbij van een depressief toestandsbeeld geenszins sprake was. Bij de in beroep overgelegde brief van 18 september 2009 heeft neuroloog dr. G. Hageman geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat de klachten van appellant worden veroorzaakt door een chronische toxische encefalopathie en het daarom van belang is dat hij in de toekomst niet meer met oplosmiddelen werkt. Tevens is een brief van psychiater De Jong van 9 februari 2009 overgelegd waaruit blijkt dat appellant lijdt aan depressieve problematiek. Ervan uitgaande dat appellant op de datum in geding een lichte depressie had en in de toekomst niet meer met oplosmiddelen mag werken, heeft de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz de in 2007 vastgestelde belastbaarheid en de destijds geduide functies nogmaals beoordeeld. In het licht van de in het dossier aanwezige stukken concludeerde hij dat deze belastbaarheid nog altijd actueel was betreffende de psychisch en cognitief belastende factoren. Aangezien in de functie van lijnoperator met oplosmiddelen wordt gewerkt, is deze functie niet meer geschikt. De overige functies zijn volgens de bezwaarverzekeringsarts voor appellant onveranderd geschikt te achten op de datum in geding, 6 juli 2009. In het vorenstaande ziet de Raad een inzichtelijke motivering van het standpunt dat appellant per 6 juli 2009 weer geschikt kon worden geacht voor zijn arbeid. De in hoger beroep overgelegde brief van psychiater De Jong van 9 november 2010 maakt dat niet anders nu deze brief geen nieuwe nog niet eerder bij de bezwaarverzekeringsarts bekende medische gegevens bevat.

4.5. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) K.E. Haan.

JL