Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9417

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
10-954 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Door bij het college geen melding te maken van zijn op geld waardeerbare activiteiten in de autohandel kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/954 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 6 januari 2010, 09/1234 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Roerdalen (college)

Datum uitspraak: 20 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.P.E. van Tulden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Tulden en vergezeld door S. Koopman, tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J.G.M. Kuijpers.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant en zijn partner ontvingen sinds 1 augustus 2003 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van signalen dat appellant in personenauto’s handelt heeft de sociale recherche van de gemeente Leudal in opdracht van het college onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is informatie ingewonnen bij de Dienst Wegverkeer, zijn diverse internetsites bezocht, is appellant op 10 februari 2009 verhoord en is een getuige gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 februari 2009. De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 2 maart 2009 de bijstand van appellant en zijn partner met ingang van 28 september 2008 in te trekken. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college geen melding te maken van zijn op geld waardeerbare activiteiten in de autohandel en dat als gevolg van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.3. Bij besluit van 28 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 maart 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college in het verweerschrift en ter zitting te kennen heeft gegeven dat aan de intrekking ook ten grondslag ligt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet bij het college te melden dat hij auto’s repareert en dat als gevolg van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Omdat daarvan in het bestreden besluit geen melding is gemaakt is dit besluit niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft verder bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven op de grond dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college niet te melden dat hij inkomsten heeft verworven uit de handel in auto’s en uit reparatiewerkzaamheden en dat als gevolg van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

3.2. Hij heeft aangevoerd dat hij pas op zitting van de rechtbank ermee is geconfronteerd dat het college aan de intrekking ook het niet melden van de reparatiewerkzaamheden ten grondslag heeft gelegd en dat hij zich daartegen niet heeft kunnen verweren. Het is daarom in strijd met de goede procesorde dat de rechtbank het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit mede op de reparatiewerkzaamheden heeft gebaseerd.

3.3. Appellant heeft verder aangevoerd dat in de maanden september tot en met december 2008 weliswaar auto’s zijn verkocht of voor een andere auto zijn geruild en dat hij daarvan geen melding heeft gemaakt bij het college, maar dat desondanks het recht op bijstand over die maanden kan worden vastgesteld. Hij heeft voor elke in die maanden verkochte of ingeruilde auto een winst- en verliesrekening opgesteld waaruit blijkt dat hij bij transacties in september, oktober en december 2008 winsten heeft gemaakt van respectievelijk € 113,--, € 5.000,-- en € 86,-- en dat hij bij een transactie in november 2008 een verlies heeft geleden van € 174,--. Appellant heeft ter onderbouwing daarvan verwezen naar de aan de rechtbank overgelegde aan-, verkoop- en ruilverklaringen en verklaringen inzake de koop van een motor of motoronderdelen.

3.4. Ten slotte heeft appellant in hoger beroep naar voren gebracht dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt dat appellant ten tijde hier in geding andere auto’s heeft gerepareerd dan zijn eigen auto’s.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De hier te beoordelen periode strekt zich uit van 29 september 2008, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 2 maart 2009, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2. De onder 3.2 genoemde beroepsgrond treft geen doel omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij pas op zitting van de rechtbank ermee is geconfronteerd dat het college aan de intrekking ook het niet melden van de reparatiewerkzaamheden ten grondslag heeft gelegd en hij zich daartegen niet heeft kunnen verweren. Vast staat dat het college al in het besluit van 2 maart 2009 heeft vermeld dat appellant op 10 februari 2009 heeft verklaard dat hij “een beetje aan auto’s repareert”. Appellant heeft in zijn aanvullend beroepschrift aan de rechtbank van 29 september 2009 te kennen gegeven dat hij reparatiewerkzaamheden aan diverse auto’s heeft verricht. Het college heeft in het verweerschrift van 29 oktober 2009 gesteld dat appellant de informatieplicht heeft geschonden door geen melding te maken van zijn inkomsten uit de handel in auto’s en reparatie van auto’s en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen. Gelet daarop moet het appellant al geruime tijd voor de zitting van de rechtbank op 17 december 2009 duidelijk zijn geweest dat het als gevolg van het niet melden van reparatiewerkzaamheden niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand in beeld was als grondslag voor de intrekking van de bijstand. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunt ten aanzien van die grondslag te bepalen en zijn eventuele daarmee verband houdende stellingen te onderbouwen.

4.3. De onder 3.3 weergegeven beroepsgrond van appellant slaagt evenmin. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het recht op bijstand van 29 september 2008 tot en met 31 december 2008 niet kan worden vastgesteld. Appellant heeft op 10 februari 2009 verklaard dat hij auto’s verkoopt om wat extra geld te hebben voor zijn gezin en dat hij auto’s ruilt, dat hij geen betalingsbewijzen heeft en geen boekhouding heeft bijgehouden. Gelet daarop heeft de door appellant opgestelde winst - en verliesrekening voor elke in de maanden september 2008 tot en met december 2008 door hem verkochte of ingeruilde auto niet de waarde die hij daaraan gehecht wenst te zien. Ook de door appellant in beroep overgelegde verklaringen bieden onvoldoende houvast om op grond daarvan het recht op bijstand te kunnen vaststellen.

4.4. Anders dan appellant heeft aangevoerd als onder 3.4 is weergegeven bestaat een toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode auto’s heeft gerepareerd. Appellant heeft op 10 februari 2009 verklaard dat hij “een beetje aan auto’s repareert”, dat hij daarvan geen administratie heeft bijgehouden en dat hij dat voor zijn gezin heeft gedaan vanwege geldgebrek. In het aanvullend beroepschrift van 29 september 2009 heeft appellant te kennen gegeven dat hij de schade aan de voorkant van een auto heeft hersteld en in een andere auto een motor heeft ingebouwd. Ook in hoger beroep wordt door appellant melding gemaakt van reparatie van auto’s. Appellant heeft zijn stelling dat hij enkel zijn eigen auto’s repareerde niet aannemelijk gemaakt. In zijn verklaring van 10 februari 2009 maakt hij er melding van dat hij de naam [autoreparatiebedrijf] heeft gebruikt als autoreparatiebedrijf. De term autoreparatiebedrijf wijst er niet op dat appellant slechts zijn eigen auto’s repareerde.

4.5. Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dan ook bevestigen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) V.C. Hartkamp.

EW