Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9410

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
10/1667 WWB + 10/1668 WWB + 10/2698 WWB + 10/2699 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk. Er is geen grond om te oordelen dat appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten tegen het besluitonderdeel waarbij bijstand is verleend naar de norm voor gehuwden geen bezwaar te hebben gemaakt. Vernietiging aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Het beroep voor zover dat betrekking heeft op de bijstandsverlening aan appellanten naar de norm voor gehuwden is niet-ontvankelijk. Tegen het besluit dat is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd, zodat het beroep hiertegen ongegrond wordt verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1667 WWB

10/1668 WWB

10/2698 WWB

10/2699 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 februari 2010, 09/108 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

Datum uitspraak: 20 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D. Osmic, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Voorts is een nader besluit van

22 maart 2010 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2012, samen met een aantal andere gevoegde zaken van appellanten. Voor appellanten is mr. Osmic verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.M. Pluijmaeckers. In de gevoegde zaken, voor zover niet ingetrokken of aangehouden, wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 7 juli 1997 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Bij besluit van 14 augustus 2006 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 7 juli 1997 ingetrokken en de over de periode van 7 juli 1997 tot en met 30 april 2006 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat zij inkomsten uit arbeid heeft en een gezamenlijke huishouding voert met appellant.

1.3. Bij besluit van 5 september 2006 heeft het college, overeenkomstig de daartoe strekkende aanvraag, aan appellanten met ingang van 29 juni 2006 bijstand verleend naar de norm voor gehuwden, waarbij 10% van de bijstand wordt ingehouden ter aflossing van de als gevolg van het besluit van 14 augustus 2006 ontstane vordering.

1.4. Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 augustus 2006 en tegen het besluit van 5 september 2006, voor zover dit ziet op de inhouding van 10% op de bijstand.

1.5. Bij besluit van 5 december 2008 (bestreden besluit) heeft het college, na een eerdere vernietiging door de rechtbank van het besluit op de bezwaren, voor zover hier van belang, de bezwaren gegrond verklaard, de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 7 juli 1997 tot en met 30 april 2006 ongedaan gemaakt, aan appellanten over de periode van 1 mei 2006 tot 29 mei 2006 (lees: 29 juni 2006) bijstand verleend naar de norm voor gehuwden en de ingehouden gelden op de met ingang van 29 juni 2006 verleende bijstand aan appellanten uitbetaald.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van appellanten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat nog steeds niet kan worden vastgesteld dat in de in geding zijnde periode van 1 mei 2006 tot 29 juni 2006 sprake was van een gezamenlijke huishouding. Voorts heeft de rechtbank ten overvloede overwogen dat de vraag of na (lees: vanaf) 29 juni 2006 sprake is van een gezamenlijke huishouding in het kader van dit beroep niet aan de orde kan komen, omdat het college bij besluit van 5 september 2006 aan appellanten bijstand naar de norm voor gehuwden heeft verleend en appellanten tegen dat onderdeel van het besluit geen rechtsmiddelen hebben aangewend.

2.2. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 22 maart 2010 vastgesteld dat appellante over de periode van 1 mei 2006 tot 29 juni 2006 recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder en meegedeeld dat van terugvordering van de over die periode teveel ontvangen bijstand - het verschil tussen de bijstand naar de norm voor gehuwden en de bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder - wordt afgezien.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank heeft overwogen dat de vraag of appellanten vanaf 29 juni 2006 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in beroep niet meer aan de orde kan komen. Zij stellen dat zij ook vanaf 29 juni 2006 geen gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat zij beiden recht hebben op een afzonderlijke uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het besluit van 22 maart 2010 wordt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de beoordeling betrokken.

4.2. Appellanten hebben tijdens de zitting van de rechtbank op 27 januari 2010 aangevoerd dat zij op 1 mei 2006 en in de periode daarna geen gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, dat zij beiden recht hebben op een afzonderlijke bijstandsuitkering en dat zij zo nodig per direct een afzonderlijke uitkering aanvragen. Hieruit blijkt dat het beroep van appellanten mede zag op het onderdeel van het besluit van 5 september 2006 waarin aan hen met ingang van 29 juni 2006 bijstand is verleend naar de norm voor gehuwden.

4.3. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb - voor zover hier van belang - kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Deze bepaling moet, gezien de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2003/04, 29 421, nr 3, blz. 5 e.v., en nr 11), aldus worden uitgelegd dat een belanghebbende slechts beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waartegen hij bezwaar heeft gemaakt, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten tegen een onderdeel geen bezwaar te hebben gemaakt.

4.4. De rechtbank heeft, in een overweging ten overvloede, onderkend dat appellanten tegen het in 4.2 bedoelde onderdeel van het besluit van 5 september 2006 geen bezwaar hebben gemaakt. Nu er geen grond is te oordelen dat appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten tegen dit besluitonderdeel geen bezwaar te hebben gemaakt, heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten het beroep in zoverre met toepassing van artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad dit alsnog doen. Dit betekent tevens dat de stelling van appellanten dat zij vanaf 29 juni 2006 geen gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat zij beiden recht hebben op een afzonderlijke uitkering, in hoger beroep onbesproken moet blijven.

4.5. Tegen het besluit van 22 maart 2010 zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd, zodat het beroep hiertegen ongegrond moet worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep voor zover dat betrekking heeft op de bijstandsverlening aan appellanten met ingang van 29 juni 2006 naar de norm voor gehuwden niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 maart 2010 ongegrond;

Bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2012.

(get.) E.J.M. Heijs.

(get.) R. Scheffer.

HD