Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9395

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
12-7 WWB-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Niet is voldaan aan de voorwaarde van onverwijlde spoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/7 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoekster], wonende te [woonplaats] (verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 27 april 2011, 11/289 en 11/298 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

Datum uitspraak: 19 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2012. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. De Widt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Roemers.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde feiten verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Verzoekster heeft op 12 november 2010 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand ingediend. Bij besluit van 24 december 2010 heeft het college deze aanvraag buiten behandeling gesteld.

1.2. Bij beslissing op bezwaar van 1 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college de buiten behandelingstelling van de aanvraag niet langer gehandhaafd en deze aanvraag afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Verzoekster heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Op 30 december 2011 heeft verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Over het spoedeisend karakter van haar verzoek heeft verzoekster ter zitting toegelicht dat zij over onvoldoende inkomsten beschikt om de huur voor de maanden februari en maart 2012 te betalen, zodat zij over deze maanden een huurachterstand heeft. Indien zij nog een maand geen huur betaalt kan zij, op grond van een vonnis van de rechtbank, zonder aparte procedure door de woningstichting uit haar woning worden gezet.

4.3. Ter zitting van de voorzieningenrechter van de Raad is gebleken dat verzoekster vanaf 3 mei 2011 bijstand naar de voor haar geldende bijstandsnorm ontvangt.

Voorts heeft verzoekster niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van het betalen van andere schulden niet staat is om de openstaande huur over de genoemde twee maanden te betalen of dat zij niet in staat is om een nieuwe huurschuld te voorkomen. Daarom heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat zij in haar bestaansvoorziening, bijvoorbeeld door een huisuitzetting, wordt bedreigd.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat niet is voldaan aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) R.L.G. Boot.

HD