Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9388

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
11/4092 WWB + 11/4093 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Er bestaat voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de Svb dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over een perceel van ongeveer 100 m2 met daarop een appartementencomplex met vier verdiepingen en twee garages. Dat betekent dat appellanten ten tijde hier van belang beschikten of redelijkerwijs konden beschikken over een vermogen boven de voor hen toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4092 WWB

11/4093 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant) en [woonplaats] (appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2011, 10/3350 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 20 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Op 1 januari 2010 is paragraaf 5.4 van de Wet werk en bijstand (WWB) in werking getreden. Thans heeft de Sociale verzekeringsbank tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan gehuwden van wie één echtgenoot 65 jaar of ouder is, die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Tot die datum was het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) verantwoordelijk voor het verlenen van bijstand aan deze personen indien zij woonplaats hadden in Rotterdam. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens verstaan het college.

Namens appellanten heeft mr. R. Besemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2012. Voor appellanten is mr. Besemer verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen van 9 februari 1984 tot 1 juli 2007 en vanaf 13 juli 2007 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de WWB.

1.2. Naar aanleiding van anonieme meldingen dat appellant auto’s exporteert naar Marokko, daar woont en een villa bezit, is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de attaché voor sociale zaken van de Nederlandse ambassade in Marokko (ambassade) een onderzoek verricht naar bezit of vermogen van appellant in Marokko. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 7 februari 2008 waarbij als bijlage de vertaling van een taxatierapport is gevoegd. De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van 6 oktober 2008 de bijstand van appellanten met ingang van 1 juli 2007 (lees: 13 juli 2007) in te trekken.

1.3. Bij besluit van 13 juli 2010 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren tegen het besluit van 6 oktober 2008 ongegrond verklaard. Daaraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellant eigenaar is van onroerend goed in Marokko met een waarde van € 100.000,-- en dat appellanten in verband daarmee een vermogen hebben dat hoger is dan de voor hen toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Svb heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In zo’n geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier de periode van 13 juli 2007 tot en met 6 oktober 2008 moet worden beoordeeld.

4.2. Anders dan appellanten en met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de Svb dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over een perceel van ongeveer 100 m2 met daarop een appartementencomplex met vier verdiepingen en twee garages aan [adres], Marokko (onroerend goed). De Raad overweegt daartoe als volgt.

4.3. Uit de gedingstukken blijkt dat het onroerend goed niet is ingeschreven in het register van het kadaster van [plaats van het adres]. Inschrijving in het kadaster van onroerende goederen is in Marokko niet verplicht. De zoon van appellanten, [A.], geboren [in] 1990, heeft op 27 juni 2007 tegenover medewerkers van de ambassade verklaard dat hij sinds 1999 met zijn ouders in de wijk [adres] woont en dat zijn ouders, broer, zus en hij in 1999 allemaal tegelijk terug naar Marokko zijn gegaan. [D.], sjeik van het [arrondissement], heeft op 27 oktober 2007 te kennen gegeven dat de woning op het genoemde adres toebehoort aan appellant. Appellant heeft verklaard dat zijn oudste zoon en diens gezin die woning bewonen, dat hij in 1999 zijn drie jongste kinderen in de woning heeft ondergebracht, dat die daar worden verzorgd en opgevoed door een verzorgster en dat appellanten sinds de woning bewoonbaar is, aldaar al hun vakanties in Marokko hebben doorgebracht. Ter zitting is van de zijde van appellanten verklaard dat de woning uitsluitend werd gebruikt door appellanten en hun familieleden. Deze gegevens rechtvaardigen de vooronderstelling dat het onroerend goed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover appellant beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het ligt dan op de weg van appellanten aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.4. Appellanten zijn er niet in geslaagd dit bewijs te leveren. Appellanten hebben gesteld dat zij in 1986 het gebruiksrecht van het perceel dat toen onbebouwd was voor fl 5.500,-- hebben gekocht van iemand die zelf niet de juridische eigendom had, dat appellant ruim één jaar later het gebruiksrecht heeft geschonken aan zijn oudste zoon toen die meerderjarig werd, waarbij is afgesproken dat de zoon een woning op het perceel zou bouwen en dat appellanten daar altijd gebruik van zouden mogen maken. De zoon heeft vervolgens - met veel hulp van familie en vrienden - in de jaren daarop deel voor deel de woning gebouwd. Voorts hebben appellanten gesteld dat sjeik [D.] aan appellant heeft verteld dat hij niet weet wie de eigenaar van het onroerend goed is, dat hij hierover niets kan verklaren en dat hij niet heeft verklaard dat appellant eigenaar van de woning is. Appellanten hebben hun stellingen niet onderbouwd. Zo zijn van de gestelde aankoop en schenking van het gebruiksrecht geen akten overgelegd. Gelet op het feit dat het perceel niet is ingeschreven in het kadaster van [plaats van het adres], ligt het niet voor de hand dat, zoals appellanten stellen, dergelijke akten niet zijn opgemaakt. Evenmin hebben appellanten, bijvoorbeeld door het overleggen van bouwvergunningen of rekeningen op naam van hun oudste zoon, onderbouwd dat die zoon het appartementencomplex heeft gebouwd. Ook zijn geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de oudste zoon in de jaren nadat hij meerderjarig werd, de bouw van het appartementencomplex heeft kunnen financieren. Er is geen schriftelijke, door sjeik [D.] ondertekende verklaring opgemaakt van hetgeen deze sjeik aan appellant zou hebben verteld. Appellanten hebben de naam van degene die de juridische eigendom van het onroerend goed heeft en van degene van wie appellant het gebruiksrecht van het onroerend goed heeft gekocht, niet genoemd.

4.5. Appellanten hebben de vaststelling van de waarde van het onroerend goed, een bedrag van € 100.000,--, niet bestreden. Zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat er schulden waren die in aanmerking moeten worden genomen. Dat betekent dat appellanten ten tijde hier van belang beschikten of redelijkerwijs konden beschikken over een vermogen boven de voor hen toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de WWB.

4.6. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) V.C. Hartkamp.

HD