Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9303

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
11/2686 WW tot en met 11/2696 WW + 11/2698 WW tot en met 11/2718 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer. Op grond van de Algemeene machtiging tot werktijdverkorting bij onwerkbaar weer of ongunstigen waterstand heeft de werkgever geen ontheffing hoeven vragen toen hij betrokkenen, geheel of grotendeels werkzaam in de binnendienst, in een vorstperiode bij toerbeurt naar huis heeft gestuurd wegens terugloop van werk. In de Algemeene machtiging is geen onderscheid gemaakt tussen een stopzetting van de werkzaamheden als direct of indirect gevolg van vorst. Uit de CAO voor de betonproductenindustrie volgt dat betrokkenen gedurende onwerkbaar weer in de winter jegens hun werkgever geen aanspraak hebben op doorbetaling van het loon. Ook in de CAO is bij de afwijking van artikel 7:628, eerste lid, van het BW geen verschil gemaakt tussen het niet verrichten van de overeengekomen arbeid als direct of indirect gevolg van vorst. Het karakter van de specifieke regeling voor werkloosheid als gevolg van buitengewone natuurlijke omstandigheden brengt mee dat de woorden ‘uitsluitend als gevolg van’ in artikel 18 van de WW restrictief moeten worden uitgelegd. Aan de voorwaarde dat een werknemer uitsluitend als gevolg van vorst werkloos is, zal zijn voldaan indien het hem door vorst boven of in de grond geheel of nagenoeg geheel onmogelijk is om zijn werkzaamheden te verrichten en wel zolang die vorsttoestand voortduurt. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 18 kan niet worden opgemaakt dat met de woorden ‘uitsluitend als gevolg van’ alleen is beoogd duidelijk te maken dat dit artikel niet geldt voor de situatie waarin werkloosheid wegens ontslag samenloopt met werkloosheid wegens onwerkbaar weer en dat werkloosheid door een niet rechtstreeks gevolg van vorst wel recht geeft op een WW-uitkering onder de bijzondere condities van dat artikel. Vernietiging aangevallen uitspraak. Beroepen ongegrond.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 18, geldigheid: 2012-03-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/847
AB 2012/283 met annotatie van R. Stijnen

Uitspraak

11/2686 WW tot en met 11/2696 WW

11/2698 WW tot en met 11/2718 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 maart 2011, met de registratienummers als in de bijlage bij die uitspraak vermeld (aangevallen uitspraak)

in de gedingen tussen:

[betrokkene 1], wonende te [woonplaats], en 31 andere betrokkenen zoals in het aanhangsel bij deze uitspraak vermeld (betrokkenen),

en

appellant.

Datum uitspraak: 14 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft de hoger beroepen ingesteld en geantwoord op vragen van de Raad.

Namens betrokkenen heeft mr. R.A.W. van Oudheusden, advocaat, een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 26 januari 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas en mr. P.J. van Ogtrop. Voor betrokkenen is mr. Van Oudheusden verschenen, vergezeld door [D.], manager HR van [werkgever] (werkgever).

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkenen zijn werkzaam in dienst van de werkgever in de functies van medewerker productiebureau en transportplanner. Het bedrijf van de werkgever maakt en levert bestratingsproducten. Vanwege aanhoudende vorst in de winter van 2009/2010 zijn klanten van de werkgever niet in staat geweest om te bestraten en heeft het zogenoemde afroepen van producten bij de werkgever stilgelegen. Dat heeft ertoe geleid dat betrokkenen na verloop van tijd zonder werk kwamen te zitten. De werkgever heeft betrokkenen bij toerbeurt naar huis gestuurd en met een minimale kantoorbezetting in de bereikbaarheid voor klanten voorzien.

1.2. Met op 12 maart 2010 door appellant ontvangen formulieren hebben betrokkenen voor een aantal dagen in de weken 4 tot en met 7 van 2010 verzocht in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering op grond van artikel 18 van de Werkloosheidswet (WW), een zogenoemde WW-uitkering wegens onwerkbaar weer. Bij besluiten van 11 juni 2010 heeft appellant op deze aanvragen afwijzend beslist.

1.3. Betrokkenen hebben tegen de besluiten van 11 juni 2010 bezwaar gemaakt. Bij besluiten van 20 oktober 2010 (bestreden besluiten) heeft appellant de bezwaren ongegrond verklaard. Volgens appellant heeft de werkgever over de dagen waarover betrokkenen een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer hebben gevraagd een loondoorbetalingsverplichting en is door hem niet de indruk gewekt dat betrokkenen recht op de gevraagde uitkering zouden hebben.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen van betrokkenen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, de besluiten van 11 juni 2010 herroepen en bepaald dat aan betrokkenen een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer wordt toegekend over de gevraagde perioden. De rechtbank heeft overwogen dat betrokkenen tegelijk met het intreden van het arbeidsurenverlies het recht op onverminderde doorbetaling van het loon hebben verloren. Volgens de rechtbank heeft appellant aan betrokkenen ten onrechte een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer onthouden op de grond dat de werkloosheid niet uitsluitend het gevolg was van het onwerkbare weer, maar tevens het gevolg was van het niet voorhanden hebben van andere werkzaamheden door de werkgever of van een ongelukkige spreiding van de werkzaamheden.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep - samengevat - betoogd dat betrokkenen op de dagen waarover zij een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer hebben gevraagd niet werkloos zijn geweest omdat zij recht op loon hebben behouden. Volgens appellant heeft artikel 8 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) een reflexwerking op artikel 7:628 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een werkgever is alleen vrijgesteld van het verbod van werktijdverkorting als de verminderde bedrijvigheid een direct gevolg is van de weersgesteldheid. Als een werknemer indirect wordt gehinderd in de uitoefening van zijn werkzaamheden als gevolg van de weersgesteldheid heeft hij in het geval in de toepasselijke cao is afgeweken van het eerste lid van artikel 7:628 van het BW alleen recht op een uitkering op grond van artikel 18 van de WW als aan zijn werkgever op grond van het derde lid van artikel 8 van het BBA ontheffing van het verbod van werktijdverkorting is verleend. Een stillegging van de werkzaamheden van een medewerker in de binnendienst die in enigerlei verband staan tot werkzaamheden van anderen in de buitenlucht die in verband met vorst niet kunnen worden verricht, beschouwt appellant als een indirect gevolg van vorst. Volgens appellant moet een cao-bepaling die de afwijking van artikel 7:628, eerste lid, van het BW regelt in overeenstemming met artikel 8 van het BBA worden uitgelegd. Appellant is verder van mening dat aan betrokkenen geen toezeggingen zijn gedaan met betrekking tot hun recht op WW-uitkering wegens onwerkbaar weer en dat zij evenmin aan de toekenning van een dergelijke uitkering aan collega’s, die werkzaam zijn in vergelijkbare functies, en aan het informatiemateriaal van appellant of aan toekenning van dergelijke uitkeringen aan werknemers van de werkgever in eerdere jaren, de verwachting hebben kunnen ontlenen dat hun aanvragen gehonoreerd zouden worden.

3.2. Betrokkenen hebben bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de WW is een werknemer werkloos als hij ten minste vijf of tenminste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren en beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

4.1.2. Op grond van artikel 18, eerste lid, van de WW heeft de werknemer, die werkloos is uitsluitend als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden recht op uitkering voor de duur van de buitengewone natuurlijke omstandigheden. Volgens artikel 18, tweede lid, van de WW zijn de artikelen 17 en 42, tweede lid, onderdeel a, niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde werknemer.

4.1.3. Op grond van artikel 7:628, eerste lid, van het BW behoudt een werknemer het recht op loon als hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Op grond van het zevende lid van artikel 7:628 van het BW kan bij cao ten nadele van de werknemer van het eerste lid worden afgeweken.

4.1.4. Op de arbeidsovereenkomsten van betrokkenen met de werkgever is van toepassing de CAO voor de betonproductenindustrie (CAO). Artikel 10, vierde lid, van de CAO geldend van 1 maart 2009 tot 1 april 2011 luidt voor zover hier van belang:

“Het bepaalde in Boek 7.10:628 B.W. is met betrekking tot doorbetaling van salaris in de daar bedoelde gevallen van kracht, in zoverre dat de werkgever niet gehouden is het salaris door te betalen in de navolgende gevallen:

[…]

3. Onwerkbaar weer gedurende de periode van 1 november tot en met 31 maart, waarbij sprake is van vorst, sneeuwval of waterstand en de gevolgen daarvan. In deze periode waarin bij handhaving van het dienstverband de werkzaamheden geheel of gedeeltelijk worden beëindigd zal de WW-uitkering worden aangevuld tot 100% van het netto maandinkomen.

[…].”

4.1.5. Op grond van artikel 8, eerste lid, in samenhang met artikel 8, derde lid, van het BBA is het een werkgever - behoudens door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Minister) verleende ontheffing - verboden eenzijdig de werktijd van de werknemer te verkorten. Met een besluit van 6 december 1945 is voorzien in een categorale ontheffing van dit verbod in geval van onwerkbaar weer en ongunstige waterstand (Algemeene machtiging tot werktijdverkorting bij onwerkbaar weer of ongunstigen waterstand, Stcrt. 1945, 129). De tekst van dit besluit luidt:

“Verleent aan werkgevers toestemming den wekelijkschen werktijd van het bedrijf, van een afdeeling van het bedrijf of van afzonderlijke werknemers op minder dan 48 uren per week vast te stellen of gesteld te houden, indien en voor zoover ten gevolge van de weersgesteldheid of den waterstand de werkzaamheden tijdelijk moeten worden stopgezet en de werkgever den werknemer niet op ene andere plaats te werk kan stellen.”

In andere situaties dan waarop de Algemeene machtiging tot werktijdverkorting bij onwerkbaar weer of ongunstigen waterstand (Algemeene machtiging) ziet, bestaat de mogelijkheid van individuele ontheffing van het verbod op werktijdverkorting, uitgewerkt in de Beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2004, Stcrt. 2004, 199 (Beleidsregels).

4.2.1. Appellant heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat aan de beoordeling of een werknemer recht heeft op een uitkering op grond van artikel 18 van de WW voorafgaat beantwoording van de vraag of hij werkloos is als bedoeld in artikel 16 van de WW. Vaststaat dat betrokkenen in de periode waarover zij uitkering hebben gevraagd een relevant urenverlies hebben geleden en beschikbaar zijn geweest om arbeid te aanvaarden, zodat de vraag resteert of zij over de uren, waarop zij in de vorstperiode in de eerste weken van 2010 niet hebben gewerkt, ook het recht op onverminderde doorbetaling van hun loon hebben verloren.

4.2.2. Een werkgever is op grond van de Algemeene machtiging gerechtigd eenzijdig de wekelijkse werktijd van een werknemer te verminderen als de werkzaamheden tijdelijk moeten worden stopgezet als gevolg van de weersgesteldheid en geen vervangende werkzaamheden voor de werknemer voorhanden zijn. Appellant kan worden gevolgd in zijn opvatting dat een besluit als de Algemeene machtiging, waarbij een categorale ontheffing is gegeven, naar zijn aard restrictief moet worden uitgelegd. Maar anders dan appellant heeft betoogd kan uit de bewoordingen van de Algemeene machtiging niet worden afgeleid dat de vrijstelling van de verplichting om voor werktijdverkorting ontheffing te vragen aan de Minister is beperkt tot de groep van werknemers die hun werkzaamheden verrichten in de buitenlucht en dus fysiek aan de gevolgen van vorst worden blootgesteld. In de Algemeene machtiging wordt geen onderscheid gemaakt tussen een stopzetting van de werkzaamheden als direct gevolg van vorst en een stopzetting die een indirect gevolg daarvan is, zoals appellant daarin wil lezen. De bewoordingen van de Algemeene machtiging geven evenmin grond voor de opvatting van appellant dat een werkgever de werktijd van een werknemer die zijn werkzaamheden niet in de buitenlucht verricht in een vorstperiode alleen zou kunnen verminderen als door de Minister met toepassing van de Beleidsregels een individuele ontheffing is verleend.

4.2.3. In het geval van betrokkenen heeft de werkgever voor de doorgevoerde werktijdverkorting geen ontheffing gevraagd en ook niet hoeven vragen omdat hij wegens vorst de eigen werkzaamheden van betrokkenen tijdelijk moest beëindigen en betrokkenen niet voor de overeengekomen werktijd vervangende werkzaamheden kon laten verrichten. Betrokkenen zijn, toen zij door de werkgever voor een of meer dagen naar huis werden gestuurd, niet in een situatie gekomen waarin zij met een beroep op artikel 9, tweede lid, van het BBA de nietigheid van de werktijdverkorting hadden kunnen inroepen.

4.3.1. Partijen zijn het erover eens dat een periode van vorst, zoals in de eerste weken van 2010, is aan te merken als een normaal bedrijfsrisico en daarmee een voor rekening van een werkgever komende oorzaak van het niet verrichten door een werknemer van de overeengekomen arbeid als bedoeld in artikel 7:628, eerste lid, van het BW. Zij verschillen van mening over de vraag of met artikel 10 van de CAO een afwijking van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever tot stand is gebracht.

4.3.2. Uit hetgeen is overwogen onder 4.2.2 volgt al dat appellant niet kan worden gevolgd in zijn opvatting dat artikel 10 van de CAO slechts leidt tot een verlies van het recht op loon voor de groep van werknemers die hun werkzaamheden in de buitenlucht verrichten. Zoals in de Algemeene machtiging geen onderscheid wordt gemaakt tussen groepen van werknemers op grond van een werkplek binnen of buiten, zo ontbreekt een dergelijk onderscheid ook in artikel 10 van de CAO. De CAO voorziet met een tekst, die, als het gaat om bepaling van de werknemer op wie artikel 10 van toepassing is, niet om uitleg vraagt, erin dat de werkgever ingeval van onwerkbaar weer, waaronder is te begrijpen vorst en de gevolgen daarvan, niet tot doorbetaling van loon is gehouden. Artikel 10 van de CAO geldt voor alle werknemers op wie de CAO van toepassing is en behoeft geen nadere uitleg. Er is dan ook geen reden om, zoals appellant heeft bepleit, de CAO-bepaling te bezien in het licht van artikel 8 van het BBA.

4.3.3. De conclusie is dat betrokkenen op de door hen in de aanvraagformulieren genoemde dagen in de weken 4 tot en met 7 van 2010 geen recht hadden op doorbetaling van loon en dus, gelet op de vaststelling in overweging 4.2.1, werkloos waren in de zin van artikel 16 van de WW. Van omstandigheden als bedoeld in artikel 19 van de WW is niet gebleken.

4.4.1. Met artikel 18 van de WW is een specifieke regeling ingevoerd voor werkloosheid als gevolg van buitengewone natuurlijke omstandigheden, waarbij niet aan de zogenoemde referte-eis van artikel 17 van de WW behoeft te worden voldaan, de duur van de uitkering beperkt blijft tot de duur van die omstandigheden en de artikelen 16, 19 en 20 van die wet onverminderd van toepassing zijn. Gegeven het karakter van de in artikel 18 van de WW neergelegde regeling, te weten een zeer beperkte uitzondering op de algemene voorwaarden die gelden voor het ontstaan van een recht op uitkering bij werkloosheid, en gelet op de daarin voorkomende woorden ?uitsluitend als gevolg van vorst [...]' ligt het in de rede de in deze zinsnede opgenomen voorwaarde restrictief uit te leggen. Aan deze voorwaarde zal zijn voldaan indien het een werknemer door vorst boven of in de grond geheel of nagenoeg geheel fysiek onmogelijk is om zijn werkzaamheden te verrichten en wel zolang die vorsttoestand voortduurt. Dit impliceert dat alleen een werknemer die zijn werkzaamheden in de buitenlucht verricht voor een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer in aanmerking kan komen. Voor werknemers, zoals betrokkenen, die geheel of gedeeltelijk werkzaam zijn op werkobjecten of in gebouwen waarin ondanks de vorst kan worden gewerkt zal daarentegen niet zijn voldaan aan deze toepassingsvoorwaarde, omdat ook andere factoren dan vorst - zoals beschikbare arbeidscapaciteit, omvang van de werkzaamheden die nog wel kunnen worden verricht en beslissingen van de werkgever of van derden - het ontstaan en voortduren van werkloosheid en de omvang van de werkloosheid dan mede bepalen. In die gevallen is bovendien niet op eenvoudig vast te stellen wijze door appellant na te gaan in hoeverre een verminderde bedrijvigheid en het daaraan gerelateerde arbeidsurenverlies door vorst wordt veroorzaakt en in hoeverre dat door andere factoren wordt veroorzaakt. Werknemers voor wie tijdens en na een periode van vorst het werk in de buitenlucht is stilgelegd onderscheiden zich van werknemers, die geheel of voornamelijk in de binnendienst werkzaam zijn in die zin, dat voor de eerst genoemde werknemers geldt dat er wel werk voorhanden is maar dit werk fysiek niet kan worden uitgevoerd, terwijl voor de werknemers in de binnendienst geldt dat zij gezien hun werkomgeving wel arbeid kunnen verrichten, maar dat het eigen werk of ander werk niet of minder voorhanden is. Een en ander sluit overigens niet uit dat in de laatstbedoelde gevallen een recht op WW-uitkering anders dan wegens onwerkbaar weer kan ontstaan mits sprake is van werkloosheid, aan de referte-eis wordt voldaan en ook artikel 19 van de WW daaraan niet in de weg staat. Nu de aanvragen van betrokkenen uitsluitend zien op toepassing van de in artikel 18 van de WW neergelegde specifieke regeling voor werkloosheid als gevolg van buitengewone natuurlijke omstandigheden valt een beoordeling van een mogelijk recht anders dan wegens onwerkbaar weer buiten de omvang van de nu voorliggende gedingen.

4.4.2. Bij haar oordeel dat ook bij werkloosheid als niet rechtstreeks gevolg van vorst recht op een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer kan bestaan heeft de rechtbank betekenis toegekend aan de wetgeschiedenis van artikel 18 van de WW. In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 1985-1986, 19 261, nr. 3, blz. 134-135) staat:

“Dit artikel bevat een bijzondere regeling in geval van werkloosheid als gevolg van bepaalde weersomstandigheden. Dit artikel creëert een recht op uitkering voor de duur van die weersomstandigheden, voor zover op de werkgever niet de plicht rust het loon door te betalen of voor zover andere omstandigheden het ontstaan van het recht niet belemmeren (zie artikel 19).

[…]

Tot slot zij opgemerkt dat de werknemer werkloos geworden moet zijn uitsluitend ten gevolge van de in dit artikel genoemde omstandigheden. Dit betekent derhalve dat dit artikel niet geldt voor de werknemer die reeds werkloos is, alsmede voor de werknemer ten aanzien van wie werkloosheid ten gevolge van deze omstandigheden tegelijkertijd is ontstaan met werkloosheid uit andere hoofde.”

De hiervoor geciteerde slotopmerking van de wetgever kan echter niet zo worden begrepen dat met de woorden ?uitsluitend als gevolg van' alleen is beoogd duidelijk te maken dat dit artikel niet geldt voor situaties waarin werkloosheid wegens ontslag samenloopt met werkloosheid wegens een van de in artikel 18 van de WW genoemde omstandigheden en dat werkloosheid door een niet rechtstreeks gevolg van vorst wel recht geeft op een WW-uitkering onder de bijzondere condities van dat artikel.

4.4.3. Voor de functies, die betrokkenen in dienst van de werkgever vervullen, geldt dat geen sprake is van een verhindering uitsluitend door vorst in de hiervoor aangegeven zin maar van een geleidelijke terugloop van werkzaamheden. In dat verband is van belang dat de uren waarop betrokkenen wel en niet moesten werken telkens door de werkgever zijn vastgesteld. Die vaststelling (veelal neerkomend op inroostering voor de helft van de overeengekomen arbeidstijd) laat zien dat er te veel arbeidscapaciteit beschikbaar was voor de werkzaamheden die nog wel konden worden verricht. Het gedurende telkens een of meer weken ontstaan van gedeeltelijke werkloosheid als gevolg van beperkte inroostering door de werkgever verdraagt zich niet met de strekking van artikel 18 van de WW, waarbij, afgezien van artikel 19 van de WW, werkloosheid wegens onwerkbaar weer door vorst eerst eindigt door een zodanige stijging van de temperatuur dat de opgedragen werkzaamheden in de buitenlucht weer kunnen worden verricht.

4.5. Uit de overwegingen 4.2.1 tot en met 4.4.3 volgt dat de vaststelling van appellant dat betrokkenen aan artikel 18 van de WW geen recht op uitkering wegens onwerkbaar weer kunnen ontlenen juist is. Ter beantwoording is vervolgens de vraag of betrokkenen desalniettemin in aanmerking gebracht moeten worden voor een dergelijke uitkering omdat zij aan uitlatingen of gedragingen van appellant het gerechtvaardigde vertrouwen hebben kunnen ontlenen dat zij op een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer recht hadden.

4.6.1. Volgens de werkgever zou een medewerkster van appellant in een telefoongesprek met de werkgever hebben meegedeeld dat ook het kantoorpersoneel van de werkgever voor een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer in aanmerking zou komen. Niet is komen vast te staan dat in het bedoelde telefoongesprek een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan dat die uitkering aan betrokkenen zou worden verstrekt.

4.6.2. Een aanspraak op een uitkering op grond van artikel 18 van de WW kunnen betrokkenen evenmin ontlenen aan de wijze waarop appellant met zijn brochure ‘Onwerkbaar weer, wat nu?’ en op zijn website informatie heeft gegeven over het recht op een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer. Aan deze algemene informatie en de daarin vervatte voorbeelden van situaties waarin recht op een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer kan bestaan, hebben betrokkenen niet de gerechtvaardigde verwachting kunnen ontlenen dat in hun - in het informatiemateriaal niet beschreven - situatie door appellant uitkering zou worden verleend.

4.6.3. Betrokkenen hebben erop gewezen dat in 2009 en 2010 aan werknemers in kantoorfuncties bij de werkgever wel een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer is verstrekt. Volgens appellant is bij onderzoek gebleken dat inderdaad WW-uitkeringen wegens onwerkbaar weer zijn verstrekt waarop bij nadere beschouwing geen recht bestond. Met betrekking tot verstrekte uitkeringen in verband met de vorstperiode in de eerste weken van 2010 heeft appellant nader toegelicht dat het bij het aanvraagformulier voorgeschreven gebruik van een lettercode in samenhang met onbekendheid van appellant met de functie van de werknemer heeft geleid tot verstrekking van WW-uitkeringen op grond van artikel 18 van de WW in gevallen waarin op een dergelijke uitkering achteraf bezien geen recht bestond omdat van een werkloosheid die een direct gevolg was van vorst geen sprake is geweest. Volgens vaste rechtspraak (onder andere CRvB 13 juli 2005, LJN AU0492) strekt het gelijkheidsbeginsel niet zover dat appellant gehouden zou zijn om een gemaakte beoordelingsfout te herhalen. De toekenningen van uitkeringen aan werknemers in kantoorfuncties bij de werkgever over vorstperioden in 2010 of eerdere jaren leiden voor betrokkenen dan ook niet tot een aanspraak op de gevraagde uitkeringen.

5. De slotsom is dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en de beroepen van betrokkenen tegen de bestreden besluiten worden ongegrond verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 20 oktober 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) Z. Karekezi.

GdJ

Betrokkenen Woonplaats Procedurenummer

1. [betrokkene 2] [woonplaats] 11/2687 WW

2. [betrokkene 3] [woonplaats] 11/2688 WW

3. [betrokkene 4] [woonplaats] 11/2689 WW

4. [betrokkene 5] [woonplaats] 11/2690 WW

5. [betrokkene 6] [woonplaats] 11/2691 WW

6. [betrokkene 7] [woonplaats] 11/2692 WW

7. [betrokkene 8] [woonplaats] 11/2693 WW

8. [betrokkene 9] [woonplaats] 11/2694 WW

9. [betrokkene 10] [woonplaats] 11/2695 WW

10. [betrokkene 11] [woonplaats] 11/2696 WW

11. [betrokkene 12] [woonplaats] 11/2698 WW

12. [betrokkene 13] [woonplaats] 11/2699 WW

13. [betrokkene 14] [woonplaats] 11/2700 WW

14. [betrokkene 15] [woonplaats] 11/2701 WW

15. [betrokkene 16] [woonplaats] 11/2702 WW

16. [betrokkene 17] [woonplaats] 11/2703 WW

17. [betrokkene 18] [woonplaats] 11/2704 WW

18. [betrokkene 19] [woonplaats] 11/2705 WW

19. [betrokkene 20] [woonplaats] 11/2706 WW

20. [betrokkene 21] [woonplaats] 11/2707 WW

21. [betrokkene 22] [woonplaats] 11/2708 WW

22. [betrokkene 23] [woonplaats] 11/2709 WW

23. [betrokkene 24] [woonplaats] 11/2710 WW

24. [betrokkene 25] [woonplaats] 11/2711 WW

25. [betrokkene 26] [woonplaats] 11/2712 WW

26. [betrokkene 27] [woonplaats] 11/2713 WW

27. [betrokkene 28] [woonplaats] 11/2714 WW

28. [betrokkene 29] [woonplaats] 11/2715 WW

29. [betrokkene 30] [woonplaats] 11/2716 WW

30. [betrokkene 31] [woonplaats] 11/2717 WW

31. [betrokkene 32] [woonplaats] 11/2718 WW