Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9104

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
19-03-2012
Zaaknummer
10-354 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Er is geen aanleiding voor de conclusie dat het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen naar de klachten van appellante onzorgvuldig is geweest. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben de medische situatie van appellante juist beoordeeld. De door appellante in beroep ingebrachte medische informatie kan niet tot een andere conclusie leiden. De bezwaarverzekeringsarts heeft in voldoende mate onderbouwd dat appellante geschikt moet worden geacht voor haar werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/354 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 december 2009, 09/786 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 15 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2011, waar namens appellante is verschenen mr. Voets. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is medewerkster bloemenkwekerij geweest voor 40 uur per week. Nadat het dienstverband was beëindigd, heeft zij zich, terwijl zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, met ingang van 16 september 2008 ziek gemeld. Vervolgens is appellante op 19 november 2008 gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts H.R.E. de Wild. In een rapport van dezelfde datum heeft deze arts vastgesteld dat de linkerarmklachten en de depressieve klachten van appellante niet terug te voeren zijn op objectieve afwijkingen. In overeenstemming met deze conclusie is appellante bij besluit van 19 november 2008 meegedeeld dat zij met ingang van 17 december 2008 geschikt wordt geacht voor haar werk van medewerkster bloemenkwekerij. Nadat appellante het Uwv had bericht dat zij was doorverwezen naar een psychiater, is deze hersteldmelding ingetrokken. Vervolgens is appellante op 12 januari 2009 nogmaals op het spreekuur van verzekeringsarts De Wild gezien. In een rapport van dezelfde datum is deze arts tot de conclusie gekomen dat er bij appellante geen sprake is van een psychische decompensatie maar van spanningsklachten vanwege sociale problematiek. Hij heeft haar (wederom) geschikt geacht voor haar werk en in overeenstemming met deze conclusie is appellante bij besluit van 12 januari 2009 meegedeeld dat zij met ingang van 19 januari 2009 geen recht had op uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

2.1. Tegen het besluit van 12 januari 2009 heeft appellante bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij gesteld dat zij de verzekeringsarts duidelijk heeft proberen te maken dat zij hem niet kon volgen vanwege taalproblemen en dat zij bij hem heeft aangedrongen op het inschakelen van een tolk. Voorts heeft zij gesteld dat zij de verzekeringsarts heeft geprobeerd uit te leggen dat zij niet kan werken. Tevens heeft zij het Uwv verzocht contact op te nemen met haar huisarts en de behandelend psycholoog T. Duman-Bilir.

2.2. De bezwaarverzekeringsarts M. Carere heeft in zijn rapport van 22 januari 2009 overwogen dat de linkerarmklachten van appellante al jaren bestaan maar dat de verzekeringsarts bij lichamelijk onderzoek op 19 november 2008 geen afwijkingen heeft gevonden. Met betrekking tot de psychische klachten van appellante heeft hij overwogen dat deze klachten sinds de echtscheiding van drie jaren geleden bestaan. Zij heeft echter met deze klachten gewerkt en is voor deze klachten, behoudens laag frequent contact, niet onder behandeling geweest. Evenmin is haar in verband met deze klachten medicatie voorgeschreven. Voorts heeft hij in overweging genomen dat de huisarts in zijn verwijsbrief slechts melding maakt van psychosociale aspecten en geen medische/psychiatrische diagnose stelt. Hij is tot de conclusie gekomen dat er onvoldoende medische redenen zijn om af te wijken van het besluit van 12 januari 2009, waarbij hij in overweging heeft genomen dat het eigen werk van appellante van medewerkster bloemkwekerij redelijk eenvoudig en psychisch niet overmatig belastend is. In overeenstemming met deze conclusie is bij besluit van 9 februari 2009 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

3.1. Naast de reeds in bezwaar naar voren gebrachte gronden heeft appellante in beroep gesteld dat de verzekeringartsen bij de beoordeling of zij geschikt moest worden geacht voor haar werk geen functieomschrijving van deze functie voorhanden hebben gehad. Ter ondersteuning van het standpunt dat haar psychische klachten zijn onderschat heeft zij nog informatie ingebracht van de psycholoog Duman-Bilit. Voorts heeft zij nog verzocht een deskundige in te schakelen.

3.2. Op de door appellante in beroep naar voren gebrachte gronden is van de zijde van het Uwv gereageerd met rapporten van de bezwaarverzekeringsarts Carere van 28 april 2009 en 17 juni 2009.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 9 februari 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

4.2. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen een zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de klachten van appellante. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gevonden een deskundige in te schakelen, waarbij de rechtbank in aanmerking heeft genomen dat de medische informatie van de huisarts en de psycholoog Duman-Bilit door de verzekeringsartsen in hun beoordeling is betrokken. Voorts heeft de rechtbank het Uwv gevolgd in haar standpunt dat bij de onderhavige beoordeling een functiebeschrijving niet noodzakelijk is geweest omdat er bij appellante in het geheel geen medisch objectiveerbare afwijkingen zijn aangetroffen.

5.1. In hoger beroep heeft appellante de eerdere in de procedure naar voren gebrachte gronden herhaald. Voorts heeft zij in hoger beroep nog nadere medische informatie ingebracht en heeft zij verzocht een deskundige in te schakelen.

5.2. Op de door appellante in hoger beroep ingebrachte medische informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts M.P.W. Kreté gereageerd met een rapport van

24 augustus 2011.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

6.2. De Raad is op grond van de gedingstukken niet tot de conclusie kunnen komen dat het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen naar de klachten van appellante onzorgvuldig is geweest. Voor zover appellante heeft gesteld dat dit wel het geval is doordat bij het onderzoek door de verzekeringsarts geen tolk aanwezig is geweest, overweegt de Raad dat appellante in bezwaar de mogelijkheid is geboden te worden gehoord door de bezwaarverzekeringsarts in het bijzijn van een tolk. Van deze mogelijkheid heeft appellante echter geen gebruik gemaakt en daarmee heeft appellante een risico genomen dat naar het oordeel van de Raad voor haar rekening dient te komen.

6.3. De Raad is evenmin tot de conclusie kunnen komen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen de medische situatie van appellante op 19 januari 2009 niet juist hebben beoordeeld. Het door hen ingenomen standpunt dat de klachten van appellante niet terug te voeren zijn op medisch objectiveerbare afwijkingen is in overeenstemming met de informatie uit de behandelende sector en kan naar het oordeel van de Raad niet voor onjuist worden gehouden. De door appellante in beroep ingebrachte medische informatie heeft de Raad niet tot een andere conclusie kunnen leiden. Daarvoor verwijst de Raad naar de reactie van de bezwaarverzekeringsarts op deze nadere informatie in zijn rapport van 22 januari 2009, met welke reactie de Raad zich kan verenigen.

6.4. Gelet op de overwegingen onder 5.2 en 5.3 heeft de Raad geen aanleiding gezien voor het inschakelen van een deskundige.

6.5. Voorts is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 22 januari 2009 eveneens in voldoende mate heeft onderbouwd dat appellante geschikt moet worden geacht voor haar werk. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat het volgens de bezwaarverzekeringsarts ging om redelijk eenvoudig, psychisch niet overmatig belastend werk. De bezwaarverzekeringsarts had dus kennelijk voldoende inzicht in de aard en de zwaarte van het werk, zodat - zeker nu bij appellante geen medisch objectiveerbare afwijkingen zijn vastgesteld - het niet noodzakelijk was om te beschikken over een functiebeschrijving.

6.6. Op grond van de overwegingen 6.1 tot en met 6.5 is de Raad van oordeel dat appellante terecht met ingang 19 januari 2009 geschikt is verklaard voor haar eigen functie en dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2012.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) Z. Karekezi.

CVG