Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9003

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
19-03-2012
Zaaknummer
11-2082 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om uitbreiding van de voorziening voor huishoudelijke hulp. Het bestreden besluit is op grond van de advisering van de geneeskundig adviseur deugdelijk voorbereid en voldoende gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs, heeft ingenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2082 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

en

de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 15 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de plaats getreden van de Raadskamer WUV van de Pensioen en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUV van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 februari 2011, kenmerk BZ01261387 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2012. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1923, is in 1982 erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Aanvaard is dat zijn psychische klachten en status na nierklachten verband houden met de vervolging. Aan appellant is een vergoeding toegekend voor de kosten van huishoudelijke hulp gedurende vier uur per week.

1.2. In 2005 heeft appellant verzocht om uitbreiding van de voorziening voor huishoudelijke hulp tot acht uur per week. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 28 oktober 2005. Appellant heeft hiertegen geen rechtsmiddel ingesteld. In 2009 heeft appellant opnieuw om uitbreiding tot acht uur gevraagd. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 29 oktober 2009. Het daartegen gerichte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 24 december 2009, waartegen geen beroep is ingesteld.

1.3. Bij brief van 12 augustus 2010 heeft appellant nogmaals een kleine verhoging van zijn uitkering gevraagd voor wat meer huishoudelijke hulp. Bij besluit van 26 oktober 2010, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, is ook dit verzoek afgewezen.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Verweerder voert het beleid dat in geval van psychische klachten een voorziening voor vier uur huishoudelijke hulp per week kan worden toegekend voor het verrichten van zware huishoudelijke werkzaamheden. Uitbreiding tot acht uur per week is mogelijk indien er beperkingen zijn voor het verrichten van lichte huishoudelijke werkzaamheden. Indien de belanghebbende 70 jaar of ouder is, worden daarbij alle beperkingen in aanmerking genomen, ongeacht of deze verband houden met de vervolging. Een voorziening voor acht uur per week kan ook worden toegekend indien sprake is van causale psychische aandoeningen in combinatie met (zelf)verwaarlozing en/of chaotisch gedrag.

2.2. Verweerder heeft de aanvraag van appellant om advies voorgelegd aan zijn geneeskundig adviseur, de arts R.J. Roelofs. Deze heeft, mede op basis van gegevens van de huisarts, geconcludeerd dat er geen medische noodzaak is voor uitbreiding tot meer dan de reeds beleidsmatig toegekende vier uur per week. Naar aanleiding van het bezwaarschrift van appellant heeft verweerder advies gevraagd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts G.L.G. Kho. Deze heeft het advies van Roelofs onderschreven. Uit de aanwezige medische informatie blijkt niet dat appellant niet in staat is om licht huishoudelijk werk te verrichten. De beperkingen van zijn echtgenote mogen in dit verband niet worden meegewogen, aldus Kho.

2.3. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze advisering deugdelijk voorbereid en voldoende gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs, heeft ingenomen. De redenen waarom appellant als vervolgde is erkend zijn uitvoerig beschreven traumatiserende oorlogservaringen kunnen hierbij op zichzelf geen rol spelen. Van belang is alleen maar of er voor appellant, met alle psychische en lichamelijke beperkingen die hij heeft, een medische noodzaak bestaat voor uitbreiding tot meer dan vier uur per week. Hetgeen door appellant is aangevoerd, wijst er nog steeds niet op dat hij vanwege zijn gezondheidssituatie geen licht huishoudelijk werk meer zou kunnen verrichten. Dat hij deze werkzaamheden in de praktijk aan zijn echtgenote overlaat, en dat zij daartoe steeds minder goed in staat is, moet voor de toepassing van de Wuv buiten beschouwing blijven. Ook is niet gebleken van (zelf)verwaarlozing of chaotisch gedrag. Evenmin zijn bijzondere omstandigheden naar voren gekomen die anderszins een medische noodzaak zouden kunnen opleveren.

2.4. Het bestreden besluit houdt dus in rechte stand. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2012.

(get.) R. Kooper.

(get.) R.L.G. Boot.

HD