Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9000

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
19-03-2012
Zaaknummer
11-2800 Wubo
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering herziening beschikking. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en die dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2800 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante)

en

de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 15 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de plaats getreden van de Raadskamer WUBO van de Pensioen en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 april 2011, kenmerk BZ01280833 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar schoonzoon [naam schoonzoon]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is in 1935 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. In 2005 heeft verweerder erkend dat zij is getroffen door oorlogsgeweld, te weten het meemaken van ongeregeldheden tussen pemoeda's en Japanners, alsmede tussen Ghurka's en pemoeda's in de Bersiap-tijd. Aan appellante zijn op grond van de Wubo een toeslag, een vergoeding voor huishoudelijke hulp en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer toegekend. Daarbij is aanvaard dat haar psychische klachten in verband staan met het oorlogsgeweld.

1.2. In februari 2009 heeft appellante een aanvraag ingediend om vergoeding van verhuis en herinrichtingskosten in verband met haar verhuizing van Den Haag naar Rijswijk. Bij besluit van 3 juni 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 november 2009, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op de grond dat de gevraagde voorziening niet op grond van de causale psychische klachten medisch noodzakelijk of medisch-sociaal wenselijk is. Daarbij is nog overwogen dat de lichamelijke klachten van appellante door andere oorzaken zijn ontstaan.

1.3. Appellante heeft tegen het besluit van 5 november 2009 beroep ingesteld. Dit besluit is door de Raad bij uitspraak van 8 april 2010, 09/6911 WUBO, niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. Het hiertegen gedane verzet is door de Raad bij uitspraak van 22 juli 2010 ongegrond verklaard. Het besluit van 5 november 2009 is daardoor in rechte onaantastbaar geworden.

1.4. In september 2010 heeft appellante opnieuw een aanvraag ingediend om vergoeding van de kosten van verhuizing en herinrichting. Dit betrof dezelfde inmiddels gerealiseerde verhuizing van Den Haag naar Rijswijk. Bij besluit van 24 december 2010, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op de grond dat geen sprake is van nieuwe feiten of gegevens.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellante feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van het besluit van 5 november 2009 niet bekend waren en die dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.2. Ook de Raad is van zulke nieuwe feiten of omstandigheden niet gebleken. Appellante heeft voornamelijk een verband gelegd tussen haar lichamelijke en haar causale psychische klachten. Zij is van mening dat dit in de sociale en medische rapportage onvoldoende tot uitdrukking is gebracht. Het gaat daarbij echter om argumenten die reeds in de procedure tegen het besluit van 5 november 2009 zijn of hadden kunnen worden aangevoerd. Weliswaar is die procedure, zonder inhoudelijke beoordeling, geëindigd in een niet ontvankelijkverklaring van het beroep, maar dit wil niet zeggen dat deze argumenten thans nog als nieuw naar voren kunnen worden gebracht. Dat aan de zuster van appellante in december 2009 wèl een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en herinrichting is toegekend, levert evenmin een relevant nieuw feit op. Het betreft hier een beoordeling van de medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid van de verhuizing in verband met de causale psychische klachten. Zo'n beoordeling kan ook bij zussen die samen de oorlog en de Bersiap hebben doorstaan van persoon tot persoon verschillend uitvallen.

2.3. Het bestreden besluit houdt dus in rechte stand. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2012.

(get.) R. Kooper.

(get.) R.L.G. Boot.

HD