Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8996

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
09-5706 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting. De bevindingen van het onderzoek vormen een toereikende grondslag voor het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellante in de hier te beoordelen periode niet woonachtig was in de woning op het adres [adres 2] te [woonplaats]. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat zich in dit geval een situatie voordoet waarin ondanks de schending van de inlichtingenverplichting kan worden vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat appellante en [v./d. E.] in de te beoordelen periode als gehuwden dienden te worden aangemerkt. Dit betekent dat appellante in die periode niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande en dientengevolge het recht op bijstand wel worden kon vastgesteld, te weten op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5706 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 september 2009, 09/1299 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van Optimisd, Intergemeentelijke Sociale Dienst (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 13 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.J.L.M. van den Reek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2012. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Königs.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2 Appellante ontving sinds 1986 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante niet op het bij Optimisd bekende adres verblijft, maar aan de [adres 1] te [woonplaats] bij [v./d. E.], heeft een consulent van Optimisd een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer aan appellante een heronderzoeksformulier gezonden, zijn bij appellante gegevens opgevraagd, zijn bij Essent, RWE en Brabant Water verbruikscijfers van elektriciteit, gas en water opgevraagd en is met appellante een gesprek gevoerd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 november 2008.

1.4. De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 14 november 2008 de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2008 in te trekken. De besluitvorming berust op de overweging dat uit de opgevraagde verbruiksgegevens bij Essent, RWE en Brabant Water blijkt dat het waterverbruik in de woning aan de [adres 2] te [woonplaats] over de afgelopen perioden extreem laag en het energieverbruik zeer laag is geweest, dat vast staat dat appellante niet daadwerkelijk woonachtig is op het door haar opgegeven adres en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.5. Uit het onder 1.3 vermelde heronderzoek is het vermoeden gerezen dat appellante al geruime tijd een gezamenlijke huishouding voerde. Om die reden is het onderzoek overgedragen aan de sociale recherche. De sociale recherche heeft onder meer dossieronderzoek verricht en appellante en [v./d. E.] uitgenodigd om op 21 oktober 2008 onderscheidenlijk op 28 oktober 2008 te verschijnen om te worden gehoord. Appellante is verschenen, maar heeft zich beroepen op haar zwijgrecht. [v./d. E.] heeft wel een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een eindrapportage sociale recherche van 3 december 2008.

1.6. Bij besluit van 3 maart 2009 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 14 november 2008 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur, naast de extreem lage verbruikscijfers van de nutsvoorzieningen op het door appellante opgegeven adres, ook de verklaringen van appellante en [v./d. E.] en de gebleken feiten en omstandigheden zoals die zijn beschreven in het onderzoek door de sociale recherche ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand gelaten. De voorzieningenrechter heeft hiertoe overwogen dat vast staat dat appellante ten tijde hier van belang niet woonachtig was in de woning op het door haar opgegeven adres. Het dagelijks bestuur heeft daaruit echter ten onrechte de conclusie getrokken dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het daadwerkelijke woonadres van appellante kan worden vastgesteld en op dat woonadres voerde appellante ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding met [v./d. E.]. Appellante moest ten tijde hier van belang daarom als gehuwde worden aangemerkt, zodat haar geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande toekwam.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gekeerd tegen de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten.

3.1. Appellante heeft aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij niet woonachtig is op het door haar opgegeven adres. De voorzieningenrechter heeft miskend dat aan de verklaringen die appellante en [v./d. E.] hebben afgelegd, geen waarde kan en mag worden gehecht. Uit een psychologisch rapport blijkt dat appellante erg kwetsbaar is, de achterliggende bedoeling van vraagstellingen vaak niet begrijpt en kwetsbaar is voor beïnvloeding. Uit de verklaring van [v./d. E.] blijkt dat druk op haar is uitgeoefend. Bovendien is haar verklaring dusdanig tegenstrijdig dat daaruit niet met zekerheid kan worden geconcludeerd dat appellante niet woonachtig is op het door haar opgegeven woonadres.

3.2. Appellante heeft voorts aangevoerd dat niet aannemelijk is dat zij ten tijde hier van belang haar hoofdverblijf op het woonadres van [v./d. E.] heeft gehad. Ter ondersteuning van deze stelling heeft appellante gewezen op de gebruiksgegevens van [v./d. E.], een aantal verklaringen van buurtbewoners en een verklaring van [getuige 1].

3.3. Appellante heeft voorts aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft aangenomen dat aan het zorgcriterium is voldaan. De verklaringen van appellante en

[v./d. E.] konden en mochten ook daarvoor niet worden gebruikt. Volgens appellante zijn plausibele verklaringen afgelegd over de afsluiting van gecombineerde levens- en overlijdensverzekeringen en de erfenis die aan beiden ten deel is gevallen en die in zijn geheel op de rekening van [v./d. E.] staat.

3.4. Appellante heeft ten slotte aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand heeft gelaten. De voorzieningenrechter had het dagelijks bestuur moeten opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, rekening houdend met het inkomen van [v./d. E.].

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het dagelijks bestuur heeft de intrekking van de bijstand niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire besluit tot intrekking van de bijstand. Dat betekent dat hier beoordeeld moet worden de periode van 1 oktober 2008 tot en met 14 november 2008.

4.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

4.3. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.4. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.5. Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.6. De bevindingen van het onderzoek van de consulent van Optimisd en van de sociale recherche vormen een toereikende grondslag voor het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellante in de hier te beoordelen periode niet woonachtig was in de woning op het adres [adres 2] te [woonplaats]. Met juistheid heeft de voorzieningenrechter in de aangevallen uitspraak overwogen dat voor die vaststelling al voldoende is dat het waterverbruik in die woning in de jaren 2001-2008 heeft gevarieerd van drie tot negen kubieke meter per jaar en dat appellante en [v./d. E.] tegenover de sociale recherche hebben verklaard dat appellante hoofdzakelijk respectievelijk altijd in de woning van [v./d. E.] verbleef. Er bestaat geen aanleiding om te oordelen dat het dagelijks bestuur met betrekking tot de hier te bevoordelen periode niet van de juistheid van de door appellante en [v./d. E.] afgelegde en ondertekende verklaringen had mogen uitgaan. In het door appellante overgelegde psychologische rapport zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling van appellante dat zij niet kan worden gehouden aan de door haar afgelegde verklaringen. Daarbij is van belang dat de verklaringen van appellante in hoofdzaak zien op feitelijkheden uit het dagelijks leven waarover ook iemand als appellante betrouwbaar kan verklaren. Anders dan appellante stelt, is voorts niet gebleken dat de verklaringen van [v./d. E.] onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd, onjuist zijn of om een andere reden buiten beschouwing moeten worden gelaten. Dat [v./d. E.] de ingangsdatum van het samenwonen in de loop van het verhoor heeft gewijzigd, is onvoldoende voor de conclusie dat sprake is geweest van ontoelaatbare druk. Bovendien liggen de door [v./d. E.] genoemde ingangsdata allen vóór 1 oktober 2008. De beroepsgrond vermeld in 3.1 treft daarom geen doel.

4.7. Hetgeen in 4.6 is overwogen brengt mee dat appellante de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand kan worden vastgesteld dient het bijstandverlenend orgaan daartoe over te gaan, ook al is dit nihil. Dan is er geen plaats voor intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.8. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat, anders dan waarvan het dagelijks bestuur in het bestreden besluit is uitgegaan, zich in dit geval een situatie voordoet waarin ondanks de schending van de inlichtingenverplichting kan worden vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat.

4.8.1. De onderzoeksbevindingen van de consulent van Optimisd en van de sociale recherche bieden voldoende grondslag voor het oordeel dat appellante en [v./d. E.] in de hier te beoordelen periode beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning van [v./d. E.]. Beiden hebben immers zelf tegenover de sociale recherche verklaard dat appellante hoofdzakelijk respectievelijk altijd in de woning van [v./d. E.] verbleef. De door appellante overgelegde verklaringen en verbruikscijfers van elektriciteit van de woning van [v./d. E.] zijn onvoldoende om aan deze verklaringen te twijfelen. Deze verbruikscijfers zijn, zoals ook de voorzieningenrechter heeft overwogen, bij lange na niet zo extreem laag als de verbruikscijfers van de woning aan het door appellante opgegeven adres en duiden er veeleer op dat appellante en [v./d. E.] zuinig zijn geweest met elektriciteit in de woning van [v./d. E.]. De beroepsgrond vermeld in 3.2 treft daarom evenmin doel.

4.8.2. Uit de onderzoeksbevindingen is voorts af te leiden dat gedurende de hier te beoordelen periode ook aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. De voorzieningenrechter heeft er in de aangevallen uitspraak terecht op gewezen dat dit onder meer blijkt uit de omstandigheid dat beiden een levensverzekering hadden met de ander als begunstigde, dat appellante een haar toekomend deel van een erfenis ten bedrag van € 35.000,-- aan [v./d. E.] heeft laten overmaken, dat beiden afwisselend de gezamenlijke boodschappen betaalden, dat appellante voor beiden kookte en dat appellante en [v./d. E.] elke avond samen aten en dat zij samen de was deden. Ook de beroepsgrond vermeld in 3.3 treft daarom geen doel.

4.8.3. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellante en [v./d. E.] in de te beoordelen periode op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB als gehuwden dienden te worden aangemerkt. Dit betekent dat appellante in die periode niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande en dientengevolge het recht op bijstand wel worden kon vastgesteld, te weten op nihil. Voor een opdracht aan het dagelijks bestuur om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, rekening houdend met het inkomen van

[v./d. E.], was daarom geen plaats. De beroepsgrond vermeld in 3.4 treft evenmin doel.

4.9. Uit hetgeen is overwogen in 4.6 tot en met 4.8 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor zover deze is aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) V.C. Hartkamp.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

NK