Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8994

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
19-03-2012
Zaaknummer
09/4776 WWB + 09/4777 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Het college heeft met de onderzoeksbevindingen aannemelijk gemaakt dat appellante in de in geding zijnde periode op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en deze werkzaamheden niet heeft gemeld bij het college. Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat indien wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende perioden recht op, al dan niet aanvullende, bijstand bestond. Het college was bevoegd om tot terugvordering van de over de hiervoor genoemde periode gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Anders dan appellanten hebben betoogd gaat het beleid van het college de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4776 WWB

09/4777 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 juli 2009, 09/311 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

Datum uitspraak: 13 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Kalmar.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvangen vanaf 15 augustus 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Naar aanleiding van een melding afkomstig van [J.], casemanager bij het MOS-traject, dat appellante actief is op diverse erotische websites, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Daaruit is volgens het college gebleken dat appellante op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en deze heeft verzwegen voor de sociale dienst. De bevindingen en conclusies van dit onderzoek, neergelegd in een rapportage van 8 september 2008, zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 16 september 2008 de bijstand van appellanten over de periode van 15 augustus 2004 tot en met 12 april 2007 in te trekken. Het college heeft daartoe overwogen dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen. Met toepassing van artikel 58, eerste lid, onderdeel a, van de WWB in verbinding met artikel 59, tweede en derde lid, van de WWB, heeft het college voorts besloten de over de genoemde periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 30.839,46 bruto van appellanten terug te vorderen.

1.3. Het college heeft bij besluit van 21 januari 2009 (bestreden besluit) de bezwaren van appellanten tegen het besluit van 16 september 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Anders dan appellanten stellen heeft het college met de onderzoeksbevindingen aannemelijk gemaakt dat appellante in de periode van 15 augustus 2004 tot en met 12 april 2007 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en deze werkzaamheden niet heeft gemeld bij het college. Op 9 april 2008 heeft [J.] tegenover medewerkers van de sociale dienst verklaard dat appellante aan hem heeft verteld dat zij op 187 erotische websites staat en daar € 10,00 per maand aan overhield. Uit de e-mailberichten die appellante aan [J.] heeft overhandigd komt naar voren dat zij werkzaam is in de porno-industrie. Eén van de producenten heeft gemeld dat dit niet een incidentele bevlieging was gelet op het aantal filmpjes en het aantal websites waarop de filmpjes zijn geplaatst. Op 17 april 2008 heeft appellante verklaard dat zij vanaf 2003 heeft meegewerkt aan verschillende producties. Zij zegt voor zes producenten te hebben gewerkt en zes contracten te hebben getekend. Volgens appellante heeft ze één en ander niet aan de sociale dienst doorgegeven teneinde uit de schulden te geraken.

4.2. Door het college niet van deze activiteiten in kennis te stellen heeft appellante de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Daaraan doet de stelling van appellante dat zij voor de betreffende werkzaamheden geen of slechts een geringe beloning heeft ontvangen - wat daarvan overigens zij - niet af. De aard van de werkzaamheden was immers zodanig dat daarvoor normaal gesproken een geldelijke beloning wordt verkregen of kan worden bedongen.

4.3. Schending van de inlichtingenverplichting vormt een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoeftige omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat indien wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende perioden recht op, al dan niet aanvullende, bijstand bestond.

4.4. Appellante is daarin niet geslaagd. Zij heeft van de inkomsten uit de pornofilmpjes geen deugdelijke administratie bijgehouden. Weliswaar heeft zij een aantal bewijsstukken overgelegd, maar onvoldoende verifieerbare gegevens waaruit de omvang van de werkzaamheden en de genoten inkomsten blijkt. Door dit na te laten heeft appellante een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen, te weten het niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand ten tijde hier in geding, geheel voor haar rekening dient te blijven. Hieruit volgt dat het recht op bijstand van appellanten over de hier in geding zijnde periode niet kan worden vastgesteld. Het college was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellanten over de periode van 15 augustus 2004 tot en met 12 april 2007 in te trekken. Het college heeft bij afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid tot intrekking kunnen besluiten. Het enkele feit dat beleidsregels ontbreken, zoals appellanten hebben aangevoerd, maakt dit niet anders.

4.5. Met het vorenstaande is tevens gegeven dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, in verbinding met artikel 59, tweede en derde lid, van de WWB, bevoegd was om tot terugvordering van de over de hiervoor genoemde periode gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Daarbij heeft het college gehandeld in overeenstemming met zijn beleid ter zake van terugvordering van onverschuldigd betaalde bijstand als neergelegd in het Uitvoeringsplan Hoogwaardig Handhaven 2005 en de Beleidsregels terugvordering WWB gemeente Maastricht. Anders dan appellanten hebben betoogd gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Dat het college heeft besloten om af te zien van een strafrechtelijke procedure doet hieraan niets af, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. De stelling van appellanten dat zij armlastig zijn en de terugvordering alleen maar bestaansnood in de hand zal werken, is geen grond voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding hadden moeten geven om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht van het beleid af te wijken.

4.6. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) V.C. Hartkamp.

HD