Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8984

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
11-3488 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WUBO-uitkering. Geen sprake van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. Medische adviezen deugdelijk voorbereid. In de voorhanden medische en andere gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden om het door verweerder ingenomen standpunt onjuist te achten. Gezinsomstandigheden en algemene oorlogsomstandigheden kunnen niet als calamiteit (oorlogsgeweld) in de zin van de Wubo worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3488 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

en

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 15 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet in de plaats getreden van de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 mei 2011, kenmerk BZ01192175 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2012. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1947 in het toenmalige Nederlands-Indië, heeft bij verweerder een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering.

1.2. Bij besluit van 21 april 2010, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant in 1949 direct betrokken is geweest bij ongeregeldheden in Rengat (appellant en zijn moeder werden beschoten waarbij hij door zijn moeder uit bescherming onder water is gehouden). Verweerder heeft de aanvraag echter afgewezen op de grond dat bij appellant geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. Daarbij is overwogen dat de bij appellant aanwezige psychische en lichamelijke klachten niet gerelateerd kunnen worden aan het oorlogsgeweld maar duidelijk uit andere oorzaken zijn ontstaan.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wubo, moet de Raad beoordelen of verweerder op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat bij appellant geen sprake is van met de onder 1.2 genoemde gebeurtenis samenhangend tot blijvende invaliditeit leidend letsel.

2.2. Blijkens de gedingstukken is het standpunt van verweerder in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Deze adviezen berusten op een persoonlijk onderhoud van appellant met een van deze adviseurs, de arts A.M. Ohlenschlager en informatie van de huisarts. Uit de adviezen komt naar voren dat de psychische klachten van appellant, die vooral persoonlijkheidsgebonden zijn, niet kunnen worden toegeschreven aan het hier aanvaarde oorlogsgeweld. Daarbij is gewezen op de langere afwezigheid van zijn moeder wegens ziekte en de spanningen binnen het ouderlijke gezin na terugkeer van de moeder. Aangegeven is dat de persoonlijkheids-problematiek niet uit het oorlogsgeweld kan worden verklaard, maar dat de persoonlijkheid zich heeft ontwikkeld, naast een in aanleg aanwezige gevoeligheid, door deze veel langer durende omgevingsomstandigheden. Met betrekking tot de lichamelijke klachten (schouder- nek- en rugklachten) is aangegeven dat deze verband houden met constitutionele factoren en dat ook psychische spanningen van invloed zijn op die klachten. De verhoogde bevattelijkheid (vaak verkouden en bevattelijk zijn voor andere infecties) is beschreven als een constitutionele aandoening.

2.3. De Raad acht het besteden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en voldoende gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs heeft ingenomen. Het lijdt voor de Raad geen twijfel dat appellant sporen met zich draagt van de leef- en gezinssituatie tijdens en na de Bersiap-periode. De brief die de kinderen van appellant aan de Raad hebben gezonden, maakt dit heel duidelijk en wijst - gelukkig - op een groeiend begrip daarvoor. Ook het Sinai-centrum legt een verband tussen de psychische (en lichamelijke) klachten van appellant en het gebrek aan ouderzorg en de in algemeenheid slechte leefomstandigheden. Van een voor de Wubo van belang zijnd oorzakelijk verband tussen de aanwezige klachten en het hier erkende, onder 1.2 genoemde, oorlogsgeweld is echter niet gebleken. Gezinsomstandigheden en algemene oorlogsomstandigheden kunnen niet als calamiteit (oorlogsgeweld) in de zin van de Wubo worden aangemerkt.

2.4. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2012.

(get.) R. Kooper.

(get.) R.L.G. Boot.

HD