Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8981

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
11-2139 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering vergoeding voor vervoer in verband met de oogklachten, ademhalingsklachten, staar en vaatklachten. Geen causaal verband met vervolging. Weigering vergoeding voor het onderhouden van sociale contacten, omdat appellante met het openbaar vervoer kan reizen. In de medische en andere gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden om het oordeel van verweerder voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2139 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

en

de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 15 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 maart 2011, kenmerk BZ01290034 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2012. Daar is appellante niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is in 1977 erkend als vervolgde in de zin van de Wuv wegens internering tijdens de Japanse bezetting van het toenmalige Nederlands-Indië. Aanvaard is dat de nerveuze klachten en darmklachten (spastische colon) in het vereiste verband staan met de door haar ondergane vervolging. Voor de oogklachten is een dergelijk verband niet aanvaard.

1.2. Per 1 december 2003 is appellante onder meer in aanmerking gebracht voor een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer. In verband daarmee is per gelijke datum de in 1998 toegekende tegemoetkoming voor vervoer voor het onderhouden sociale contacten ingetrokken.

1.3. In oktober 2010 heeft appellante verzocht om vergoeding van de kosten van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten en vervoer voor medische behandelingen.

1.4. Bij besluit van 13 januari 2011, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder aan appellante alleen toegekend een vergoeding voor vervoer voor medische behandeling en/of consulten in verband met de psychische klachten en darmklachten. Een vergoeding voor vervoer in verband met de oogklachten, ademhalingsklachten, staar en vaatklachten werd niet toegekend op de grond dat deze klachten niet aan de vervolging kunnen worden toegeschreven. Een vergoeding voor het onderhouden van sociale contacten heeft verweerder geweigerd omdat appellante naar zijn mening met het openbaar vervoer kan reizen.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of de oogklachten, ademhalingsklachten, staar en vaatklachten (“attaque”) in het vereiste verband staan met de vervolging. De zienswijze van verweerder dat een dergelijk verband niet aanwezig is, is in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Uit deze adviezen komt naar voren dat, naast eerder al de oogklachten, nu ook de overige lichamelijke klachten niet in verband kunnen worden gebracht met de ondergane vervolging. Dit gezien de aard en het moment waarop deze klachten zijn ontstaan.

2.2. In de gedingstukken van medische aard heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om het onder 2.1 weergegeven standpunt van verweerder voor onjuist te houden. Appellante heeft ook geen gegevens ingebracht die de Raad tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Vervoer medische behandeling

2.3.1. Het voorgaande brengt mee dat verweerder op goede gronden heeft geweigerd de gevraagde voorziening, voor zover betrekking hebbend op de oogklachten, ademhalingsklachten, staar en vaatklachten, aan appellante toe te kennen, nu deze voorziening in zoverre geen verband houdt met uit de vervolging voortvloeiende klachten.

Vervoer onderhouden sociale contacten

2.4.1. Verweerder hanteert het uitgangspunt om pas over te gaan tot toekenning van de gevraagde vergoeding indien de betrokkene als gevolg van causale medische klachten niet met het openbaar vervoer (bus, metro, tram en trein) kan reizen. De Raad heeft al meermalen deze benadering van verweerder onderschreven.

2.4.2. Overeenkomstig de onder 2.1 genoemde adviezen heeft verweerder geoordeeld dat appellante geacht kan worden gebruik te kunnen maken van het openbaar vervoer. Daarbij heeft verweerder op grond van het zogenoemde 70+ beleid ook de niet causale klachten van appellante betrokken.

2.4.3. In de medische en andere gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om het oordeel van verweerder voor onjuist te houden. Ook de Raad is niet gebleken van dusdanige beperkingen in haar mobiliteit dat appellante niet in staat kan worden geacht om met het openbaar vervoer te kunnen reizen. De omstandigheid dat appellante zich niet prettig voelt op de stations en de hoge roltrappen en ook het afgelegen wonen van appellante vormen geen omstandigheden op grond waarvan de gevraagde voorziening zou moeten worden toegekend.

2.5. Gezien het voorgaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2012.

(get.) R. Kooper.

(get.) R.L.G. Boot.

HD