Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
11-2293 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering periodieke WUBO-uitkering. Voldoende deugdelijk voorbereid en voldoende gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs, heeft ingenomen. Ook thans zijn geen objectieve gegevens naar voren gekomen die erop wijzen dat appellant in 1992 wegens causale invaliditeit met de VUT heeft moeten gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2293 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

en

de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 15 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de plaats getreden van de Raadskamer WUBO van de Pensioen en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 maart 2011, kenmerk BZ01285660 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2012. Appellant is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in 1936 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. Per 1 maart 1992 is hij met vervroegd pensioen (VUT) gegaan. Kort daarvoor heeft hij een aanvraag op grond van de Wubo ingediend. Bij besluit van 16 februari 1993 heeft verweerder aanvaard dat appellant zowel tijdens de Japanse bezetting als in de Bersiap-periode is getroffen door oorlogsgeweld, te weten verblijf in een schoolgebouw, internering in drie kampen en het meemaken van beschietingen. Erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenning van een periodieke uitkering zijn echter geweigerd. Daartoe is overwogen dat appellant als gevolg van de oorlogsgebeurtenissen geen lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit. Hiertegen is geen rechtsmiddel ingesteld.

1.2. In mei 2010 heeft appellant opnieuw een aanvraag op grond van de Wubo ingediend. Bij besluit van 29 november 2010 heeft verweerder hem met ingang van 1 mei 2010 een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wubo toegekend. Daartoe is overwogen dat inmiddels sprake is van blijvende invaliditeit als gevolg van het erkende oorlogsgeweld. Een periodieke uitkering is echter geweigerd, op de grond dat appellant in 1992, toen hij gebruik maakte van de VUT, niet door zijn oorlogsinvaliditeit blijvend arbeidsongeschikt was.

1.3. Tegen deze weigering heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 7, aanhef en onder a, van de Wubo is voor zover hier van belang voor toekenning van een periodieke uitkering vereist dat het burger-oorlogsslachtoffer ten gevolge van zijn voor de toepassing van die wet in aanmerking te nemen invaliditeit gedwongen is geweest zijn werkzaamheden in beroep of bedrijf te beëindigen of blijvend te verminderen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant wegens door zijn oorlogservaringen veroorzaakte invaliditeit met de VUT is gegaan.

2.2. Naar aanleiding van zijn aanvraag in 1992 is appellant onderzocht door de psychiater M. Kazemier, die daarbij onder meer gebruik heeft gemaakt van gegevens van de huisarts. Kazemier is tot de conclusie gekomen dat lichamelijk gezien sprake was van spanningshoofdpijn, waarvan de oorzaak vooral gezocht moet worden in spanningen en conflicten op het werk. Een causale relatie met het oorlogsverleden is niet te leggen. Als psychische klachten worden vermeld spanningsgevoeligheid, hoofdpijn en een verhoogde associativiteit met het oorlogsgebeuren. Deze klachten zijn te zien als karakterogeen. Hun relatie met het oorlogsverleden is beperkt, terwijl het totale klachtenpatroon geen invloed heeft op de algemene validiteit. In psychiatrische zin kan feitelijk geen pathologie worden geconstateerd. Op de datum dat hij gebruik maakte van de VUT waren er geen lichamelijke of psychische klachten welke appellant dwongen te stoppen met werken, aldus Kazemier.

2.3. Naar aanleiding van de nieuwe aanvraag heeft verweerder appellant laten onderzoeken door de arts H.I. Loor. Op basis van haar rapport en inlichtingen van de huisarts heeft verweerders geneeskundig adviseur, de arts R.J. Roelofs, geconcludeerd dat, naast een niet causale persoonlijkheidsproblematiek, nu ook sprake is van een angststoornis (NAO) die wèl als causaal is te aanvaarden. Dit betekent niet dat appellant ten tijde van de VUT blijvend arbeidsongeschikt was ten gevolge van oorlogsletsel. Het medische advies van Kazemier is in 1992 op goede gronden tot stand gekomen. Er is, in vergelijking met dit eerdere onderzoek, sprake van verergering van de psychische problematiek, aldus Roelofs.

2.4. Verweerder heeft het bezwaar van appellant nog voorgelegd aan twee andere geneeskundig adviseurs, de artsen A.J. Maas en G.L.G. Kho. Deze adviseurs hebben de zienswijze van Roelofs onderschreven. Volgens hen kan, ook terugkijkend, niet worden geconcludeerd dat lichamelijke of psychische klachten appellant hebben gedwongen te stoppen met werken.

2.5. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze advisering deugdelijk voorbereid en voldoende gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs, heeft ingenomen. Ook thans zijn geen objectieve gegevens naar voren gekomen die erop wijzen dat appellant in 1992 wegens causale invaliditeit met de VUT heeft moeten gaan. Dat appellant zich destijds onder druk gezet voelde om te vertrekken, en hoopte dat door de werkbeëindiging zijn spanningen en hoofdpijnen zouden verminderen, is daarvoor niet voldoende.

2.6. Het bestreden besluit houdt dus in rechte stand. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2012.

(get.) R. Kooper.

(get.) R.L.G. Boot.

HD