Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8975

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
19-03-2012
Zaaknummer
10/4988 AW + 10/4989 AW + 11/49 AW + 11/52 AW + 11/54 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling functiebeschrijving. De rechtbank heeft in de beide aangevallen uitspraken terecht vooropgesteld dat hier een systeem van organieke functiebeschrijvingen aan de orde is waaruit voortvloeit dat bij het vaststellen van een functiebeschrijving aan het college beleidsvrijheid toekomt. Het beschrijven als ‘praktijkbegeleider’ in plaats van praktijkopleider berust op een ondeugdelijke feitelijke grondslag. De door het college gegeven motivering voor de door hem gekozen beschrijving is niet steekhoudend. Vernietiging aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, en de aangevallen uitspraak 2. Vernietiging van de bestreden besluiten voor zover daarbij als activiteit onder de taak ´Overige werkzaamheden´ is vermeld `Fungeren als praktijkbegeleider´. De Raad stelt de beschrijving zelf vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerectificeerde uitspraak 10/4988 AW

Gerectificeerde uitspraak 10/4989 AW

Gerectificeerde uitspraak 11/49 AW

Gerectificeerde uitspraak 11/52 AW

Gerectificeerde uitspraak 11/54 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant 1.1. te woonplaats]

[Appellant 1.2. te woonplaats], (appellanten 1)

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van12 augustus 2010, 09/1110, 09/1111 en 09/1109 (aangevallen uitspraak 1)

in de gedingen tussen: appellanten 1

en

het College van burgemeester en wethouders van Roermond (college),

en op de hoger beroepen van

[appellant 2.1 te woonplaats]

[Appellant 2.2. te woonplaats], en

[appellant 2.3 te woonplaats], (appellanten 2)

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 november 2010, 09/1102, 09/1105 en 09/1098 (aangevallen uitspraak 2)

in de gedingen tussen: appellanten 2 en

en

het college

Datum uitspraak: 15 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellanten 1 en 2 hebben hoger beroepen ingesteld tegen onderscheidenlijk de aangevallen uitspraak 1 en de aangevallen uitspraak 2.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 9 februari 2012. Appellanten 1 en 2 zijn verschenen en zijn bijgestaan door onderscheidenlijk mr. C. van Vlooten en mr. E.H.J. van Gerven, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat, en drs. J.W.M. Koppers, P.C.M.E. Bellemakers en M.J.M. van Blerk.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Alle appellanten zijn als ambtenaar werkzaam in de functie van toezichthouder/BOA in [B.]. In het kader van de actualisering van een aantal functieprofielen bij de afdeling Stadstoezicht heeft het college bij besluiten van 14 augustus 2008 de functiebeschrijving toezichthouder/BOA vastgesteld. Het college heeft na bezwaar van appellanten die beschrijving gehandhaafd bij besluiten van 23 juni 2009 (bestreden besluiten).

2. Bij de aangevallen uitspraken zijn de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van de standpunten van partijen in hoger beroep komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1. De rechtbank heeft in de beide aangevallen uitspraken terecht vooropgesteld dat hier in de Regeling functiewaardering een systeem van organieke functiebeschrijvingen aan de orde is waaruit voortvloeit dat bij het vaststellen van een functiebeschrijving aan het college beleidsvrijheid toekomt. Het gaat daarbij niet om een beschrijving van de feitelijk aan appellanten opgedragen werkzaamheden maar om een beschrijving van de door het college aan de betrokken ambtenaren opgedragen taken en activiteiten, gegeven de inrichting van de organisatie zoals die het college voor ogen staat. De rechter kan een dergelijke functiebeschrijving slechts terughoudend toetsen (zie bijvoorbeeld

CRvB 30 juni 2005, TAR 2006, 8 en LJN AT9173). De beschrijving mag beperkt blijven tot een beschrijving op hoofdlijnen; zij moet een adequate basis bieden voor een op die beschrijving te baseren waardering van de functie.

3.2. Behoudens de hierna onder 3.3 te bespreken grond treffen de tegen de (gehandhaafde) functiebeschrijving gerichte gronden geen doel. Met de vermelding van het woord ‘overtredingen’ in hoofdtaak 2 - naast het begip ‘strafbare feiten’ -, met de toevoeging van het woord ‘mede’ aan de activiteit van het ‘opstellen van voorstellen en maken van plannen’, met de vermelde activiteiten bij de taak van het fungeren als centralist en met het in globale termen weergeven van de activiteit van het fungeren als aanspreekpunt met betrekking tot een specialistische taak (bijvoorbeeld wijkBOA en taakaccent milieu) wordt niet afgedaan aan de (beperkte) eisen die, gelet op hetgeen onder 3.1 is overwogen, aan een functiebebeschrijving mogen worden gesteld. Er is geen sprake van inconsistenties of van een wijze van beschrijven die anderszins leidt tot een niet adequate basis voor het waarderen van de functie. Niet gezegd kan worden dat het college niet in redelijkheid tot die beschrijving heeft kunnen komen. Het ontgaat de Raad overigens waarom het college, als het - zoals door hem is gesteld - bij de eerste twee gronden slechts een kwestie van semantiek is, appellanten hierin niet heeft willen tegemoetkomen. Appellanten hebben deze punten vanaf de bedenkingenfase indringend onder de aandacht van het college gebracht.

3.3. De grond betreffende de weergave in de beschrijving van de activiteit van het ‘fungeren als praktijkbegeleider’ treft doel. Die beschrijving is kennelijk gekoppeld aan de vereiste kwalificatie van de betrokken functionarissen. Blijkens de gedingstukken gaat het om de hoedanigheid van praktijkopleider, waartoe appellanten aan de ECABOleergang voor praktijkopleiders Medewerker Toezicht en Veiligheid, hebben deelgenomen. Het beschrijven als ‘praktijkbegeleider’ in plaats van praktijkopleider berust op een ondeugdelijke feitelijke grondslag. De door het college gegeven motivering voor de door hem gekozen beschrijving is niet steekhoudend. Dat er op het desbetreffende ECABOkenniscentrum opleiders zijn met een eigen verantwoordelijkheid die anders is dan die van de praktijkopleiders in dienst van het college, kan immers niet afdoen aan de eis dat de weergave van de hier in geding zijnde activiteit, gegeven de vermelde koppeling, juist behoort te zijn. De bij de bestreden besluiten gehandhaafde functiebeschrijving kan dus in zoverre niet in stand blijven.

4. De aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, en de aangevallen uitspraak 2, bij welke uitspraken de bestreden besluiten in stand zijn gelaten, moeten dan ook worden vernietigd. De beroepen tegen de bij die besluiten gehandhaafde functiebeschrijving moeten gegrond worden verklaard en de bestreden besluiten moeten worden vernietigd voor zover daarbij als activiteit onder de taak ´Overige werkzaamheden´ is vermeld `Fungeren als praktijkbegeleider´.

Met het oog op de definitieve beslechting van de geschillen wordt dit onderdeel van de functie met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij deze uitspraak op de juiste wijze beschreven.

5. Gelet op het bovenstaande is er aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden voor appellanten 1 begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 874,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal voor appellanten 1 dus op € 1.518,-, en voor appellanten 2 op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 874,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal voor appellanten 2 dus op € 1.518,-. Tot slot wordt het college veroordeeld in de reis- en verletkosten van [A. ]. Deze worden begroot op € 37,- aan reiskosten en € 125,68 aan verletkosten, in totaal dus op € 162,68.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak 1, voor zover deze betrekking heeft op appellanten 1, en de aangevallen uitspraak 2;

- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond en vernietigt die besluiten voor zover daarbij de functiebeschrijving in haar geheel is gehandhaafd;

- vermeldt in de functiebeschrijving onder de taak ‘Overige werkzaamheden’ als activiteit: Fungeren als praktijkopleider, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverrre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten 1 tot een bedrag van € 1.518,-, in de proceskosten van appellanten 2 tot een bedrag van € 1.518,- en in de proceskosten van [A. ] tot een bedrag van € 162,68;

- bepaalt dat het college aan appellanten 1 het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 748,- vergoedt, en aan appellanten 2 het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 1.122,- vergoed.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en H.A.A.G. Vermeulen en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2012.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C. Nijholt.