Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
10-6744 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op andere gronden. De werkrelatie met een aantal collega’s, maar ook met haar direct leidinggevende, is verstoord geraakt. Een terugkeer van appellante was daardoor niet meer mogelijk, hetgeen ook door appellante is erkend. Nu vaststond dat terugkeer niet tot de mogelijkheden behoorde en er overigens ook geen passende functie binnen het stadsgewest beschikbaar was, was er voor het dagelijks bestuur voldoende grond om te concluderen dat er geen uitzicht meer bestond op een vruchtbare voortzetting van het dienstverband. Geen aanleiding om tot een gunstiger uitkeringsregeling te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/111
Module Ambtenarenrecht 2013/1432
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6744 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 24 november 2010, 10/5456 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het Dagelijks Bestuur van het Stadsgewest Haaglanden (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 15 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. S. van Loenhout. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Blanken, advocaat, en F.C.A. van der Knaap.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was sinds 1 juni 2001 aangesteld als secretaresse bij de [naam sector] van het Stadsgewest Haaglanden (stadsgewest). Appellante kende een groot ziekteverzuim. In 2006 en 2007 is regelmatig gesproken over de samenwerking binnen het secretariaat van de sector en de rol die appellante daarin speelde. Op 18 januari 2007 heeft appellante melding gemaakt van een ernstige verstoring in de samenwerkingsrelatie met haar leidinggevende. Medio 2007 is de situatie geëscaleerd. Appellante heeft zich op 12 juni 2007 ziek gemeld en heeft daarna niet meer gewerkt. Vervolgens zijn er in het kader van een mediationpoging afspraken gemaakt. Dat heeft erin geresulteerd dat is ingezet op het vertrek van appellante bij het stadsgewest uiterlijk per 1 september 2009. In verband daarmee is appellante in de gelegenheid gesteld om op kosten van het stadsgewest een opleiding te gaan volgen. Daarnaast is een outplacementtraject met Randstad HR Solutions afgesproken. Dit traject heeft niet tot een andere functie voor appellante geleid.

1.2. Met het oog op een beëindiging van het dienstverband hebben partijen vervolgens gesproken over een minnelijke regeling. Appellante is niet akkoord gegaan met de door het dagelijks bestuur gedane voorstellen. Bij brief van 20 januari 2010 heeft het dagelijks bestuur aan appellante meegedeeld voornemens te zijn haar ontslag te verlenen wegens verstoorde arbeidsverhoudingen in brede zin. Appellante heeft te kennen gegeven niet in te stemmen met het ontslag en heeft zich beschikbaar gesteld voor arbeid.

1.3. Bij besluit van 11 februari 2010 heeft het dagelijks bestuur aan appellante meegedeeld dat aan haar ontslag wordt verleend op andere gronden als bedoeld in artikel 8:8 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/ Uitwerkingsovereenkomst stadsgewest Haaglanden (CAR/HUWO).

1.4. Bij het bestreden besluit van 30 juni 2010 is het bezwaar van appellante tegen het ontslagbesluit van 11 februari 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Uit de stukken leidt de Raad af dat er in de loop der jaren verscheidene incidenten zijn geweest waarbij appellante betrokken was. Naar aanleiding daarvan is de werkrelatie met een aantal collega’s, maar ook met haar direct leidinggevende, verstoord geraakt. Een terugkeer van appellante naar de [naam sector] was daardoor niet meer mogelijk, hetgeen ook door appellante is erkend. Nu vaststond dat terugkeer bij de [naam sector] niet tot de mogelijkheden behoorde en er overigens ook geen passende functie binnen het stadsgewest beschikbaar was, was er voor het dagelijks bestuur voldoende grond om te concluderen dat er geen uitzicht meer bestond op een vruchtbare voortzetting van het dienstverband. Daarmee was de bevoegdheid gegeven om appellante met toepassing van artikel 8:8 van de CAR/HUWO te ontslaan. Het dagelijks bestuur kon in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruikmaken.

3.2. Voor een ambtenaar die op voornoemde grond wordt ontslagen dient het dagelijks bestuur ingevolge artikel 10d:4 van de CAR/HUWO een passende regeling te treffen. In het ontslagbesluit heeft het dagelijks bestuur daarom naast een aanspraak op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet aan appellante een aanvullende en een aansluitende uitkering toegekend. Appellante heeft gesteld dat zij in aanmerking zou moeten komen voor een gunstiger ontslagregeling omdat zij door het ontslag aanzienlijke inkomensschade heeft geleden.

3.3. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 23 mei 2001, LJN AD3438 en TAR 2001, 122) kan de rechter slechts tot het oordeel komen dat een dergelijke uitkeringsregeling onvoldoende is, indien zou komen vast te staan dat het dagelijks bestuur een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de impasse die tot het ontslag heeft geleid.

3.4. Voor dat oordeel bestaat in dit geval geen aanleiding. Uit de stukken blijkt dat de incidenten die zich hebben voorgedaan mede door de opstelling van appellante tot escalaties leidden. Daardoor zijn de verhoudingen steeds meer verstoord geraakt. Het dagelijks bestuur heeft verscheidene keren getracht de situatie op het secretariaat en rond appellante daadwerkelijk te verbeteren. In dat verband is aan appellante ook coaching aangeboden en is mediation ondernomen. Toen uiteindelijk werd aangestuurd op haar vertrek is appellante in de gelegenheid gesteld een opleiding te volgen en is haar een outplacementtraject aangeboden. Mede door de afwachtende houding van appellante heeft dit niet tot een andere functie geleid. Omdat appellante daarna ook niet akkoord wenste te gaan met een minnelijke ontslagregeling bleef er voor het dagelijks bestuur in feite niets anders over dan appellante ontslag te verlenen. Hieruit kan slechts de conclusie worden getrokken dat het dagelijks bestuur geen overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de uiteindelijke impasse. Er bestond dus voor het dagelijks bestuur geen aanleiding om tot een gunstiger uitkeringsregeling te komen.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van de griffier M.R. Schuurman. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2012.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.R. Schuurman.

HD