Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8917

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
10-2021 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Gezamenlijke huishouding. Het college heeft door over een deel van de in geding zijnde periode te toetsen aan het criterium gezamenlijke huishouding een onjuiste maatstaf aangelegd. Het college had moeten beoordelen of appellante in deze periode duurzaam gescheiden leefde van [S.] en om die reden als ongehuwd diende te worden aangemerkt. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging aangevallen uitspraak. Vernietiging bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 12 februari 2005 tot 15 juni 2005 en de terugvordering. De uit de gedingstukken blijkende feiten en omstandigheden bieden voldoende grondslag voor de conclusie dat appellante en [S.] in de periode in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante ten tijde in geding niet kan worden aangemerkt als zelfstandig subject van bijstand, zodat zij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. De rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2021 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2010, 09/3904 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 13 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Mahabier, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, met de gevoegde zaak 10/2020 WWB, plaatsgevonden op 31 januari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mahabier. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.C. van Helvoort. Als tolk is verschenen K. Mensah. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst. De Raad doet in deze zaak heden afzonderlijk uitspraak.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 12 februari 2005 bijstand, ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%. Appellante woont met haar twee kinderen op het adres [adres 1] in Amsterdam. Haar ex-echtgenoot [S.] stond tot 12 februari 2005 op dat adres ingeschreven. Op 14 juni 2005 is de echtscheiding uitgesproken.

1.2. Naar aanleiding van een vermoeden dat appellante met haar ex-echtgenoot [S.] samenwoonde heeft het team Controle Noord van de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is kennisgenomen van het onderzoeksrapport van 20 april 2005, dat heeft geleid tot toekenning van bijstand aan appellante met ingang van 12 februari 2005, en dat van 9 september 2007, dat heeft geleid tot de beëindiging van de bijstand van appellante met ingang van 10 augustus 2007. Voorts zijn appellante en [S.] verhoord en hebben enkele buurtbewoners verklaringen afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 november 2008. De onderzoeksresultaten zijn voor college aanleiding geweest om bij besluit van 16 april 2009 de bijstand over de periode van 12 februari 2005 tot en met 9 augustus 2007 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 37.156,41 bruto van appellante terug te vorderen op de grond dat appellante in die periode een gezamenlijke huishouding voerde met [S.] en daarvan geen melding heeft gemaakt aan het college.

1.3. Bij besluit van 14 juli 2009 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen het besluit van 16 april 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij, kort gezegd, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [S.] zijn hoofdverblijf had in haar woning. De rechtbank heeft ten onrechte waarde gehecht aan de getuigenverklaringen en deze als eenduidig en consistent beoordeeld. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte vastgesteld dat appellante en [S.] tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In geschil is de intrekking van het recht op bijstand van appellante over de periode van 12 februari 2005 tot en met 9 augustus 2007 en de terugvordering van de over die periode gemaakte kosten van bijstand.

4.2. Vaststaat dat appellante en [S.] tot 15 juni 2005 gehuwd waren. Derhalve heeft het college door ook over de periode van 12 februari 2005 tot 15 juni 2005 te toetsen aan het criterium gezamenlijke huishouding een onjuiste maatstaf aangelegd. Het college had moeten beoordelen of appellante in deze periode duurzaam gescheiden leefde van [S.] en om die reden als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef, en onder b, van de WWB diende te worden aangemerkt. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 12 februari 2005 tot 15 juni 2005 en de terugvordering. De Raad ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe overweegt hij het volgende.

4.3. Volgens vaste rechtspraak (waaronder CRvB 25 januari 2011, LJN BP3464) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Zowel appellante als [S.] hebben verklaard dat [S.] regelmatig, zo niet elke dag, voor de kinderen op het adres van appellante was. Reeds dit enkele feit staat in de weg aan het aannemen van een situatie van duurzaam gescheiden leven.

4.4. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt - voor zover hier van belang - een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest. Voor de vraag of in de periode van 15 juni 2005 tot en met 9 augustus 2007 sprake was van het voeren van een gezamenlijke huishouding is derhalve bepalend of appellante en [S.] in die periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.5. De uit de gedingstukken blijkende feiten en omstandigheden bieden voldoende grondslag voor de conclusie dat appellante en [S.] in de periode in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante aan de [adres 1] te Amsterdam. Van belang daartoe zijn de verklaringen van buurtbewoners van appellante, die voldoende gedetailleerd en consistent zijn. Deze buurtbewoners omschrijven het gezin van appellante en geven aan wanneer ze [S.] zien en horen. Ze verklaren dat het gezin er al “vanaf het begin” woont. De buurtbewoners, die er al ruim meer dan tien jaar woonden, hebben hun verklaringen nadien nog eens bevestigd.

Appellante heeft wel gesteld maat niet aannemelijk gemaakt dat [S.] ten tijde in geding op het door hem opgegeven adres [adres 2] in Amsterdam heeft verbleven. Buurtbewoners aldaar verklaren dat zij [S.] niet kennen en nog nooit gezien hebben. Geen waarde wordt gehecht aan de door appellante overgelegde verklaring van [K.] dat [S.] in de jaren 2005 tot en met 2007 heeft verbleven in het missiehuis van de [naam kerk] in Amsterdam, gelet op wat door [S.] daaromtrent is verklaard. Uit de verklaring van [K.] zou kunnen worden afgeleid dat [S.] gedurende de jaren 2005 tot en met 2007 onafgebroken in het missiehuis woonde. [S.] heeft echter verklaard dat hij op het adres [adres 2] sliep, maar dat hij als de eigenaar bezoek had, bij de kerk sliep. Voorts blijkt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting dat appellante en [S.] gedurende de gehele in geding zijnde periode hebben beschikt over een betaalrekening op beider naam met als adres [adres 1] in Amsterdam waarvan zij beiden gebruik maakten.

4.6. Gelet op het voorgaande wordt het oordeel van de rechtbank dat appellante ten tijde in geding niet kan worden aangemerkt als zelfstandig subject van bijstand, zodat zij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder onderschreven. Appellante heeft geen mededeling gedaan van het feit dat zij niet duurzaam gescheiden leefde van [S.] dan wel een gezamenlijke huishouding met hem voerde. Het college was derhalve bevoegd op grond van artikel 54, derde lid, onder a, van de WWB tot intrekking van de bijstand. Hieruit vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand. De wijze van uitoefening van die bevoegdheid is niet bestreden.

5. Het college zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.518,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 12 februari 2005 tot 15 juni 2005 en de terugvordering;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.518,--,

waarvan € 874,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en R.H.M. Roelofs en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) P.J.M. Crombach.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding en het begrip duurzaam gescheiden leven.

HD