Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8915

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
10-2020 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeterugvordering. De uit de gedingstukken blijkende feiten en omstandigheden bieden voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant en [A.] in de periode in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van [A.]. De rechtbank wordt gevolgd in zijn oordeel dat appellant en [A.] niet duurzaam gescheiden leefden en daarna met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2020 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2010, 09/3052 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 13 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Mahabier, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, met de gevoegde zaak 10/2021 WWB, plaatsgevonden op 31 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mahabier. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.C. van Helvoort. Tevens was als tolk aanwezig K. Mensah. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak doet de Raad heden afzonderlijk uitspraak.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was tot 15 juni 2005 gehuwd met [A.]. [A.] ontving sinds 12 februari 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Deze uitkering is met ingang van 10 augustus 2007 beëindigd.

1.2. Naar aanleiding van een vermoeden dat [A.] met appellant samenwoonde, heeft het team Controle Noord van de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [A.] verleende bijstand. In dat kader is kennisgenomen van het onderzoeksrapport van 20 april 2005, dat heeft geleid tot de toekenning van bijstand aan [A.] met ingang van 12 februari 2005, en van 9 september 2007, dat heeft geleid tot de beëindiging van bijstand aan [A.] met ingang van 10 augustus 2007. Voorts zijn [A.] en appellant verhoord en hebben enkele buurtbewoners verklaringen afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 november 2008. De onderzoeksresultaten zijn voor college aanleiding geweest om bij besluit van 16 april 2009, gehandhaafd bij besluit van 14 juli 2009, de bijstand van [A.] over de periode van 12 februari 2005 tot en met 9 augustus 2007 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 37.156,41 bruto van [A.] terug te vorderen op de grond dat [A.] in die periode een gezamenlijke huishouding voerde met appellant en daarvan geen melding heeft gemaakt aan het college.

1.3. Bij besluit van 16 april 2009, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 27 mei 2009 (bestreden besluit), heeft het college de kosten van de ten onrechte aan [A.] verleende bijstand mede van appellant teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij, kort gezegd, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht dat hij een kamer in de woning van [A.] slechts als opslagruimte gebruikte. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte waarde gehecht aan de getuigenverklaringen en deze als eenduidig en consistent beoordeeld. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte vastgesteld dat appellant en [A.] tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 59, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.2. Vaststaat dat appellant en [A.] tot 15 juni 2005 gehuwd waren. Voor de vaststelling dat appellant de persoon als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de WWB is, is vereist dat hij in de periode van 12 februari 2005 tot 15 juni 2005 niet duurzaam gescheiden leefde van [A.] en in de periode van 15 juni 2005 tot en met 9 augustus 2007 een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de WWB met haar heeft gevoerd.

4.3. Van duurzaam gescheiden levende echtgenoten is eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Zowel appellant als [A.] hebben verklaard dat appellant regelmatig, zo niet elke dag, voor de kinderen op het adres van [A.] was. Reeds dit enkele feit staat in de weg aan het aannemen van een situatie van duurzaam gescheiden leven.

4.4. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt - voor zover hier van belang - een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest. Voor de vraag of in de periode van 15 juni 2005 tot en met 9 augustus 2007 sprake was van het voeren van een gezamenlijke huishouding is derhalve bepalend of appellant en [A.] in die periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.5. De uit de gedingstukken blijkende feiten en omstandigheden bieden voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant en [A.] in de periode in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van [A.] aan de [adres 1] te Amsterdam. Van belang daartoe zijn de verklaringen van buurtbewoners van [A.], die voldoende gedetailleerd en consistent zijn. Deze buurtbewoners omschrijven het gezin van [A.] en geven aan wanneer ze appellant zien en horen. Ze verklaren dat het gezin er “vanaf het begin” heeft gewoond. De buurtbewoners, die er al ruim meer dan tien jaar woonden, hebben hun verklaringen nadien nog eens bevestigd.

Appellant heeft wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde in geding op het door hem opgegeven adres [adres 2] in Amsterdam heeft verbleven. Buurtbewoners aldaar verklaren dat zij appellant niet kennen en nog nooit gezien hebben. Geen waarde wordt gehecht aan de door appellant overgelegde verklaring van [K.] dat hij in de jaren 2005 tot en met 2007 heeft verbleven in het missiehuis van de [naam kerk] in Amsterdam, gelet op wat door appellant zelf daaromtrent is verklaard. Uit de verklaring van [K.] zou kunnen worden afgeleid dat appellant gedurende de jaren 2005 tot en met 2007 onafgebroken in het missiehuis woonde. Appellant heeft echter zelf verklaard dat hij op het adres [adres 2] sliep, maar dat hij als de eigenaar bezoek had, bij de kerk sliep. Voorts blijkt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting dat appellant en [A.] gedurende de gehele in geding zijnde periode hebben beschikt over een betaalrekening op beider naam met als adres [adres 1] in Amsterdam, die door beiden werd gebruikt.

4.6. Gelet op het voorgaande wordt het oordeel van de rechtbank dat appellant en [A.] van 12 februari 2005 tot 15 juni 2005 niet duurzaam gescheiden leefden en daarna met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd onderschreven. Verlening van gezinsbijstand is niettemin achterwege gebleven omdat [A.] de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Daarmee is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het college was derhalve bevoegd de kosten van de ten onrechte aan [A.] verleende bijstand tot een bedrag van € 37.156,41 mede van appellant terug te vorderen.

Appellant heeft de wijze waarop het college van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

4.7. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en R.H.M. Roelofs en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) P.J.M. Crombach.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding en het begrip duurzaam gescheiden leven.

HD