Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8912

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
10-1072 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Verlaging van de bijstand van appellante met 30% voor de duur van een maand. Het college heeft op goede gronden aangenomen dat appellante verwijtbaar onvoldoende heeft meegewerkt aan een traject gericht op arbeidsinschakeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1072 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 januari 2010, 09/5487 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak: 13 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 8 februari 2012, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad hier met het volgende.

1.1. Appellante ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Zij is wegens arbeidsongeschiktheid tot 9 januari 2008 ontheven geweest van arbeidsverplichtingen. Na een herkeuring door Achmea Vitale in april 2008 is appellante fulltime belastbaar geacht voor deelname aan een traject naar werk, mits rekening wordt gehouden met haar beperkingen en de urenbelasting geleidelijk wordt opgebouwd.

1.2. Vervolgens is appellante door de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Dienst SZW) aangemeld voor deelname aan een activeringstraject bij Startbaan, waarvoor appellante heeft getekend. Het traject is op 15 juli 2008 begonnen, met één dagdeel per week yoga. Appellante heeft zich hiervoor herhaaldelijk ziek gemeld. Op 16 september 2008 is appellante door de Dienst SZW uitgenodigd voor een driegesprek op 25 september 2008. Op 23 september 2008 heeft appellante telefonisch meegedeeld dat zij ziek was en niet van plan was om op 25 september 2008 te verschijnen. Appellante is toen door de Dienst SZW te verstaan gegeven dat zij toch op de afgesproken dag en plaats aanwezig diende te zijn en dat het niet nakomen van die afspraak zou leiden tot een maatregel. Appellante is op 25 september 2008 niet verschenen. Zij heeft de afspraak afgebeld omdat zij ziek was. De Dienst SZW heeft op die dag nog een bezoek aan de woning van appellante gebracht. Medewerkers van de Dienst SZW hebben appellante daar niet aangetroffen. Zij zijn er ook niet in geslaagd telefonisch met haar in contact te komen, omdat appellante de telefoon niet opnam. Op 14 mei 2009 heeft er door Achmea Vitale nog een psychologisch onderzoek van appellante plaatsgevonden. Daarbij is vastgesteld dat appellante als beperkt psychisch belastbaar is in te schatten en dat zij niet in staat wordt geacht om arbeid te verrichten.

1.3. Bij besluit van 13 oktober 2008 heeft het college met ingang van 1 november 2008 een maatregel opgelegd, bestaande uit een verlaging van de bijstand van appellante met 30% voor de duur van een maand.

1.4. Bij besluit van 6 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2008 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt van het college dat appellante onvoldoende heeft meegewerkt aan het trajectplan, een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Dit is volgens de toepasselijke Maatregelverordening inkomensvoorzieningen (verordening) een gedraging van de eerste categorie, die leidt tot een verlaging van 30% van de bijstand voor de duur van een maand. Het college heeft geen aanleiding gevonden te voldoen aan het verzoek van appellante om te volstaan met een waarschuwing. Hierbij is in aanmerking genomen dat appellante reeds bij besluit van 23 mei 2008 een waarschuwing had ontvangen wegens het verlenen van onvoldoende medewerking aan het opstellen van het trajectplan bij Startbaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op hierna te noemen gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellante is geschikt bevonden voor deelname aan een activeringstraject, gericht op arbeidsinschakeling, bij de afdeling Startbaan van de Dienst SZW gedurende 40 uur per week. Zij is hiervoor op 2 juni 2008 aangemeld. Met de lichamelijke en psychische beperkingen van appellante is rekening gehouden door haar deelname aan het activeringstraject geleidelijk op te bouwen, te beginnen met één dagdeel yoga per week. Appellante is slechts eenmaal op dit traject verschenen. De andere keren heeft zij zich wegens ziekte afgemeld. Teneinde appellante in de gelegenheid te stellen om meer duidelijkheid te verschaffen omtrent haar ziekmeldingen en haar medische situatie op dat moment, heeft de Dienst SZW haar opgeroepen voor een driegesprek op 25 september 2008. Appellante heeft zich op 23 september 2008 voor dat gesprek afgemeld wegens ziekte. Appellante heeft wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat zij op medische gronden buiten staat was om zich op 25 september 2008 voor een gesprek naar de Dienst SZW te begeven. De door appellante overgelegde uitdraai van het journaal van haar huisarts ter ondersteuning van haar standpunt heeft de rechtbank terecht ontoereikend geacht. Het oordeel van de rechtbank dat appellante verweten moet worden dat zij niet aan die oproep heeft voldaan, kan dan ook worden onderschreven. Daarbij is tevens van belang dat appellante op die dag geheel onbereikbaar is gebleven en ook geen gebruik heeft gemaakt van de haar geboden gelegenheid om na het geplande tijdstip van het gesprek de aard van haar vele ziekmeldingen nog nader toe te lichten.

4.2. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de datum van onderzoek naar haar psychische klachten niet ziet op de periode waarop de maatregel betrekking heeft. Ook de overweging van de rechtbank dat niet zou zijn gebleken dat appellante op 16 juli 2008 en 22 september 2008 met psychische klachten kampte, acht appellante onjuist.

4.3. Uit de uitdraai van het journaal van de huisarts kan niet worden afgeleid dat appellante op genoemde data melding heeft gemaakt van psychische klachten. Het ging toen uitsluitend om hoestklachten. Uit andere beschikbare gegevens blijkt wel dat appellante al langer psychische klachten had. Het college heeft daarmee ook rekening gehouden door de deelname van appellante aan het activeringstraject aanvankelijk tot één dagdeel per week te beperken.

4.4. Gelet op het onder 4.1 tot en met 4.3 overwogene heeft het college dan ook op goede gronden aangenomen dat appellante verwijtbaar onvoldoende heeft meegewerkt aan een traject gericht op arbeidsinschakeling. Hieruit vloeit voort dat het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB, gehouden was de bijstand in overeenstemming met de verordening te verlagen.

4.5. Appellante heeft er op gewezen dat zij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de hoogte en duur van de maatregel in beroep wel beargumenteerd heeft bestreden. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het college bij het opleggen van de maatregel niet voldoende acht heeft geslagen op de ernst van het feit, met name de mate van verwijtbaarheid en haar omstandigheden.

4.6. Zoals onder 1.4 is aangegeven was appellante reeds eerder gewaarschuwd. Voorts heeft zij ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat haar omstandigheden of de mate van verwijtbaarheid het college aanleiding hadden moeten geven de verlaging te matigen of geheel van de verlaging af te zien.

4.7. Het hoger beroep slaagt dan ook niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Dat betekent dat het verzoek om vergoeding van schade moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD