Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8911

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
10-6791 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op AOW-pensioen. Appellant is schuldig nalatig verklaard premie te betalen over zes jaren en heeft daar geen rechtsmiddel tegen aangewend. Tegen de korting op het AOW-pensioen maakt appellant bezwaar en de Svb verklaart dat bezwaar, onder toepassing van art. 4:6 Awb, ongegrond. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard omdat ten onrechte art. 4:6 Awb is toegepast, maar heeft de rechtsgevolgen in stand gelaten. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6791 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 22 november 2010, 10/2321 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).

Datum uitspraak: 1 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2012.

Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M. Aalders.

II. OVERWEGINGEN

1. In de door appellant - geboren [in] 1945 - gestarte bezwaarprocedure tegen het aan hem door de Svb op 22 juli 2008 verstrekte SVB Pensioenoverzicht zijn onder andere ter sprake gekomen zes besluiten van de Svb uit 1996. Het gaat om drie afzonderlijke besluiten van 12 juli 1996, waarbij appellant op grond van de artikelen 18 en 18a van de Wet Financiering Volksverzekeringen, zoals deze artikelen luidden vanaf 24 november 1993, gezien de vervaldata van de betreffende premieaanslagen, schuldig nalatig is verklaard de over de jaren 1990, 1991 en 1992 verschuldigde premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) te betalen, en drie afzonderlijke besluiten van 27 december 1996 over schuldig nalatig verklaring van appellant over de jaren 1987, 1993 en 1994 waarbij wat betreft het jaar 1987, gezien de vervaldatum de voor 24 november 1993 geldende tekst van deze artikelen van toepassing was. Tegen de besluiten van 12 juli en 27 december 1996 heeft appellant destijds geen bezwaar gemaakt. De strekking van deze besluiten en de gevolgen daarvan voor het te verwachten AOW-pensioen waren al in het Pensioenoverzicht verwerkt. De Svb heeft bij besluit van

17 april 2009 het bezwaar van appellant tegen dit Pensioenoverzicht ongegrond verklaard.

2. De Svb heeft op aanvraag van appellant bij besluit van 12 mei 2010 vastgesteld dat hij vanaf september 2010 recht heeft op een AOW-pensioen en een toeslag hierop voor zijn partner. Tevens is vermeld dat kortingen op dit pensioen en deze toeslag worden toegepast. Het betreft, aldus dit besluit, onder andere een korting van 12% over de jaren dat appellant schuldig nalatig is verklaard.

3. De Svb heeft bij besluit van 29 juni 2010 het door appellant tegen het besluit van 12 mei 2010 gemaakte bezwaar met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard. De Svb overwoog dat het bezwaar van appellant, dat zag op korting van zijn AOW-pensioen, verband houdende met de in overweging 1 vermelde schuldig nalatig verklaringen, ook al aan de orde is geweest in het in die overweging vermelde besluit op bezwaar van 17 april 2009. Ten opzicht van die procedure heeft appellant, aldus de Svb, geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd.

4.1. In beroep tegen het besluit van 29 juni 2010 (bestreden besluit) heeft appellant onder andere aangevoerd dat de Svb bij de schuldig nalatig verklaringen een onderzoek had moeten doen naar de omstandigheden van het onbetaald zijn gebleven van de premies over een bepaald jaar. In dit verband heeft appellant aangevoerd dat hij ten tijde van de besluitvorming over de schuldig nalatig verklaring in staat van faillissement verkeerde. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant ook gewezen op de uitspraak van de Raad van 30 januari 2002 (LJN AE2710).

4.2. In reactie op het verweer van de Svb, waarin is gewezen op het feit dat door appellant geen rechtsmiddelen zijn ingesteld tegen de besluiten van 12 juli en 27 december 1996, heeft appellant zijn standpunt herhaald en gesteld dat het vanwege zijn faillissement niet verwijtbaar is dat toen geen rechtsmiddelen zijn ingesteld.

5.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

5.2. De rechtbank stelde in de eerste plaats vast dat het beroep van appellant uitsluitend betrekking heeft op de korting op het AOW-pensioen over de jaren 1987, 1990, 1991, 1992, 1993 en 1994.

5.3. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeerde voor de toepassing in de bezwaarprocedure van artikel 4:6 van de Awb. Zij stelde vast dat tegen de besluiten van 12 juli en 27 december 1996 geen rechtsmiddelen zijn aangewend zodat die besluiten rechtens onaantastbaar zijn geworden. De rechtbank koppelde daar de conclusie aan dat de juistheid van die besluiten thans niet meer kan worden aangevochten, zodat de Svb bij de besluitvorming over de toekenning aan appellant van zijn AOW-pensioen terecht van de juistheid van die besluiten is uitgegaan. In dit verband wees de rechtbank ook erop dat de door appellant genoemde uitspraak van de Raad van 30 januari 2002 zag op een procedure inzake schuldig nalatig verklaring. In verband met artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW heeft, aldus de rechtbank, de Svb voorts terecht wegens schuldig nalatig verklaring van appellant over de meergenoemde jaren een korting van 12% toegepast. Gelet op een en ander kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank in stand blijven.

6. In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep voorgedragen gronden in essentie herhaald.

7.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank. Hij verwijst daarvoor in de eerste plaats naar het oordeel van de rechtbank, zoals dat samengevat is weergegeven in de overwegingen 5.2 en 5.3 van deze uitspraak. Hij voegt daar ten overvloede nog aan toe dat, voor zover appellant beoogt de omstandigheden waaronder de Svb destijds heeft besloten tot schuldig nalatig verklaring, alsnog in rechte aan de orde te kunnen stellen, hij, zoals ook de Svb in het verweerschrift heeft vermeld, een verzoek aan het Svb kan doen tot herziening van de besluiten van 12 juli en 27 december 1996. Daarvoor is, gelet op artikel 4:6 van de Awb wel vereist dat appellant met betrekking tot even genoemde besluiten nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden vermeldt. In dit verband wijst de Raad er nog op dat uit de gedingstukken naar voren komt dat appellant weliswaar destijds geen rechtsmiddelen tegen die besluiten heeft ingesteld maar wel bij brief van 5 juni 1996 heeft gereageerd op aankondigingen van de Svb over schuldige nalatigheid over de jaren 1990, 1991 en 1992. Voorts heeft een toenmalige gemachtigde van appellant in een brief van 2 december 1996 aan de Svb bericht dat de curator in het faillissement van appellant hem had toegestaan buiten bezwaar van de boedel voor appellant op te treden. Die gemachtigde verzocht voorts enig uitstel te verlenen voor het geven van een inhoudelijke reactie op de aankondigingen voor de jaren 1993 en 1994. In een brief van de Svb, verzonden op

5 december 1996, is daarin bewilligd met daarbij de vermelding dat over de jaren 1993 en 1994 ambtshalve aanslagen zijn opgelegd. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de Svb daaraan toegevoegd dat ook over 1992 een ambtshalve aanslag is opgelegd.

7.2. Overweging 7.1 leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2012.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) Z. Karekezi.

KR