Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8903

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
10-1794 WWB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BY4008
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat appellant ten tijde van belang zo vaak in of bij de woning van zijn echtgenote aanwezig was dat niet gesproken kan worden van duurzaam gescheiden leven. Appellant kon gedurende de in geding zijnde periodes niet als zelfstandig subject van bijstand worden beschouwd.

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 3, geldigheid: 2012-03-13
Participatiewet 3, geldigheid: 2012-03-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/105

Uitspraak

10/1794 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant), wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 11 februari 2010, 09/1453 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)

Datum uitspraak: 13 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Uijt de boogaardt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. K.A.M. Rademaker, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S.E. de Jong.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in 1992 in Marokko getrouwd met [naam echtgenote] (echtgenote). Zij hebben samen vier kinderen die zijn geboren in 1998, 1999, 2000 en 2003. Appellant heeft zijn echtgenote in december 2001 verlaten. Zijn echtgenote is toen met de oudste drie kinderen op het adres [adres] blijven wonen. Haar is in de gemeente Dronten bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder toegekend. Appellant is verhuisd naar Leeuwarden. Appellant heeft met ingang van 14 december 2001 gedurende verschillende periodes van het college bijstand ontvangen, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van ontvangen informatie dat appellant (weer) zou wonen bij zijn echtgenote hebben de unit regionale sociale recherche Zwolle en de sociale recherche Fryslân onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant en zijn echtgenote verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn registers geraadpleegd, bankafschriften opgevraagd, waarnemingen gedaan en getuigen gehoord. Appellant en zijn echtgenote zijn als verdachten van uitkeringsfraude op het politiebureau te Lelystad verhoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een proces-verbaal van 10 december 2008 (proces-verbaal) dat met toestemming van de officier van justitie ter beschikking is gesteld aan de afdeling sociale zaken van de gemeente Dronten en de gemeentelijke sociale dienst van Leeuwarden. De conclusie van het onderzoek is dat appellant en zijn echtgenote anders dan appellant aan het college heeft meegedeeld, niet duurzaam gescheiden hebben geleefd als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b van de WWB.

1.2. Het college van burgemeester en wethouders van Dronten heeft met besluiten van 11 november 2008 de aan de echtgenote verleende bijstand over een aantal periodes vanaf 1 juli 2003 ingetrokken. De voor de echtgenote in de periode van 1 juli 2003 tot 31 augustus 2008 gemaakte kosten van bijstand zijn van haar en appellant (mede) teruggevorderd tot een bedrag van € 49.553,44. Bij besluit van 26 maart 2009 zijn de tegen de ieder van hen betreffende besluiten van 1 november 2008 ongegrond verklaard. Bij uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 februari 2010 zijn de beroepen ongegrond verklaard. De Raad heeft met zijn uitspraak van 13 maart 2012, in de zaken 10/1629 WWB en 10/1612 WWB, deze uitspraken bevestigd.

1.3. Bij besluit van 26 november 2008, zoals na gemaakt bezwaar gewijzigd bij besluit van 14 mei 2009 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant over de periodes van 1 augustus 2002 tot en met 30 juni 2003, van 1 september 2003 tot en met 31 maart 2004, van 12 juli 2004 tot en met 31 augustus 2004 en van 27 september 2004 t/m 18 april 2005 herzien (lees: ingetrokken) en de in deze periodes gemaakte kosten van bijstand van hem teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 24.984,53. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat appellant, anders dan hij bij het college had gemeld, in deze periodes niet duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting is hem in die periodes ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat appellant en zijn echtgenote in de periodes in geding niet duurzaam gescheiden hebben geleefd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Een deel van de hiervoor onder 1.3 vermelde periodes (periodes in geding) dateert van voor de inwerkingtreding per 1 januari 2004 van de WWB. Voor die tijd was de Algemene bijstandswet (Abw) van toepassing. Het recht op bijstand en de op appellant rustende verplichtingen moeten in dit geding worden beoordeeld naar het recht zoals dat gold ten tijde van belang. De bevoegdheid van het college tot intrekking en terugvordering van de bijstand vindt zijn wettelijke grondslag uitsluitend in de WWB.

4.2. Vaststaat dat appellant in de periodes in geding was gehuwd. Het geding spitst zich toe op de vraag of het college terecht heeft aangenomen dat appellant niet duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote die in Dronten woonde.

4.3. Op grond artikel 11, vierde lid, van de Abw en de WWB komt het recht op bijstand de echtgenoten gezamenlijk toe. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw en de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 29 november 2011, LJN BU7544) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

4.4. De Raad is op grond van de beschikbare gegevens van oordeel dat appellant ten tijde van belang zo vaak in of bij de woning van zijn echtgenote aanwezig was dat niet gesproken kan worden van duurzaam gescheiden leven in voormelde zin. De frequente aanwezigheid van appellant op het adres van zijn echtgenote blijkt onder andere uit in het proces-verbaal vermelde informatie uit het politieregister. Daaruit kan met betrekking tot de situatie in en rond de woning van de echtgenote worden afgeleid dat geregeld sprake was van betrokkenheid van appellant bij burenoverlast en burenruzies, dat appellant daar meermalen door de politie is aangehouden, dat aangiftes zijn gedaan van bedreiging en mishandeling door appellant en dat appellant is aangetroffen bij politiecontroles. Voorts blijkt uit drie verklaringen van met name genoemde buurtbewoners in de omgeving van de woning van de echtgenote dat appellant gedurende vele jaren wordt gezien en herkend als (over)buurman. Ter zitting van de Raad van 31 januari 2012 in de zaken 10/1629 WWB en 10/1612 WWB is door appellant en zijn echtgenote verklaard dat appellant in die tijd verslaafd was en veel problemen had en dat hij vaak naar de woning van zijn echtgenote kwam om daar zijn kinderen te zien. De echtgenote vond het goed dat appellant zijn kinderen bezocht. Zij wilde bevriend blijven met appellant, ook omdat ze wilde voorkomen dat hij hun kinderen mee zou nemen. Appellant kwam zo’n twee keer in de week langs bij de woning van zijn echtgenote, soms ook in het weekend. Appellant sliep bij vrienden of in de auto bij de woning van de echtgenote en wachtte dan tot negen uur ’s ochtends om zijn kinderen te bezoeken. De auto’s waarvan hij gebruik maakte waren van familie van zijn echtgenote. De echtgenote had een auto op haar naam staan die ze zelf gebruikte en die ze ter beschikking stelde van appellant. Appellant kon in die tijd geen auto op zijn naam hebben omdat hij geen rijbewijs had. Appellant en zijn echtgenote presenteerden zich bij contacten met de buurtbewoners en de politie in Dronten als een gezin. Anders dan door appellant is gesteld, leiden voormelde feiten in onderling verband bezien, ondanks de voor ieder afzonderlijk feit door hen gegeven verklaring, tot de conclusie dat appellant en zijn echtgenote niet duurzaam gescheiden leefden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 6 december 2011, LJN BU7804) zijn de omstandigheden die tot een bepaalde leefvorm hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie in dit kader niet van belang. Dit betekent dat appellant gedurende de in geding zijnde periodes niet als zelfstandig subject van bijstand kon worden beschouwd.

4.5. De stelling van appellant dat hij ten tijde van belang niet zijn hoofdverblijf had bij zijn echtgenote leidt in het licht van voormeld wettelijk kader en van voormelde gegevens niet tot een ander oordeel. Zolang het gescheiden leven van appellant en zijn echtgenote niet duurzaam is, kunnen zij in het kader van de Abw en de WWB niet als zelfstandig subject van bijstand worden aangemerkt, ook al wonen zij op verschillende adressen. De Raad merkt hierbij nog op dat niet is vastgesteld waar (in welke gemeente) appellant feitelijk zijn hoofdverblijf had. Het college was derhalve bevoegd om aan zijn besluitvorming ten grondslag te leggen dat appellant niet duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote. Hieraan doet niet af dat zij in een andere gemeente woonde. De beroepsgronden die betrekking hebben op het hoofdverblijf van appellant, te weten de betwiste dan wel beoogde bewijskracht van verschillende getuigenverklaringen en de gestelde beperkte betekenis van de vastgestelde geldopnames in Dronten, slagen dan ook niet.

4.6. Appellant heeft de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door het college niet te informeren over het feit dat hij vaak bij zijn echtgenote was. Daarmee heeft hij het college de mogelijkheid onthouden om te beoordelen of hij wel duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote. Ten gevolge hiervan heeft het college appellant ten onrechte als ongehuwd aangemerkt en hem over de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande. Het college was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om de bijstand van appellant over de in het bestreden besluit vermelde periodes in te trekken. Daarmee is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB voldaan, zodat het college tevens bevoegd was de in bedoelde periodes voor appellant gemaakte kosten van bijstand van hem terug te vorderen.

4.7. Tegen de wijze waarop de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering is uitgeoefend zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.8. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J.M. Tason Avila.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

HD