Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8894

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
10/1612 WWB + 10/1629 WWB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BY4009
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en (mede)terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat appellant ten tijde van belang zo vaak in of bij de woning van appellante aanwezig was dat niet gesproken kan worden van duurzaam gescheiden leven. Dit betekent dat appellante gedurende in geding zijnde periode niet als zelfstandig subject van bijstand kon worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1612 WWB

10/1629 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 februari 2010, 09/698 en 09/2122 (aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Dronten (college)

Datum uitspraak: 13 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens elk van appellanten heeft mr. E. Uijt de boogaardt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken gevoegd plaatsgevonden op 31 januari 2012. Appellanten zijn verschenen en hebben zich laten bijstaan door mr. K.A.M. Rademaker, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.E. van de Beek en A.H. Meinderts.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten zijn in 1992 in Marokko met elkaar getrouwd. Zij hebben samen vier kinderen die zijn geboren in 1998, 1999, 2000 en 2003. Appellant heeft appellante in december 2001/januari 2002 verlaten. Appellante is toen met de oudste drie kinderen op het adres [adres] blijven wonen. Aan appellante is met ingang van 4 januari 2002 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder toegekend. Appellant is verhuisd naar Leeuwarden waar hem bijstand naar de norm voor een alleenstaande is toegekend. Naar aanleiding van door het college ontvangen informatie dat appellant (weer) zou wonen bij appellante hebben de unit regionale sociale recherche Zwolle en de sociale recherche Fryslân onderzoek gedaan naar onder andere de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn registers geraadpleegd, bankafschriften opgevraagd, waarnemingen gedaan en getuigen gehoord. Appellanten zijn als verdachten van uitkeringsfraude op het politiebureau te Lelystad verhoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een proces-verbaal van 10 december 2008 (proces-verbaal) dat met toestemming van de officier van justitie ter beschikking is gesteld aan de afdeling sociale zaken van de gemeente Dronten en de gemeentelijke sociale dienst van Leeuwarden. De conclusie van het onderzoek is dat appellanten niet duurzaam gescheiden hebben geleefd als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b van de WWB en in het kader van de WWB als gehuwden moeten worden aangemerkt.

1.2. Bij besluit van 11 november 2008 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 september 2008 beëindigd (lees: ingetrokken) en ingetrokken over de periodes van 1 juli 2003 tot en met 31 augustus 2003, 5 juli 2004 tot en met 11 juli 2004, 2 september 2004 tot en met 26 september 2004, 1 mei 2005 tot en met 28 augustus 2005, 13 september 2005 tot en met 3 januari 2008, 28 februari 2008 tot en met 13 april 2008, 20 juni 2008 tot en met 31 augustus 2008. Daaraan is ten grondslag gelegd dat zij, anders dan zij bij het college had gemeld, in die periodes niet duurzaam gescheiden leefde van appellant en geen recht had op de aan haar toegekende bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. De gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 2003 tot 31 augustus 2008 zijn tot een bedrag van € 49.553,44 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 11 november 2008 heeft het college de kosten van de aan appellante verleende bijstand mede van appellant teruggevorderd. De periodes waarin appellant gedetineerd is geweest of bijstand van de gemeente Leeuwarden heeft ontvangen zijn bij de intrekking en de (mede)terugvordering van de aan appellante verleende bijstand buiten beschouwing gelaten.

1.3. Bij besluit van 26 maart 2009 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de ieder van hen betreffende besluiten van 11 november 2008 ongegrond verklaard. Daarbij is de feitelijke grondslag in die zin gewijzigd dat appellanten sinds 4 januari 2002 onverminderd als gehuwd moeten worden aangemerkt omdat zij onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij duurzaam gescheiden zijn gaan leven.

2. De rechtbank heeft met de aangevallen uitspraken de beroepen van appellante en appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraken gekeerd. Zij bestrijden dat zij in de in geding zijnde periode moeten worden aangemerkt als niet duurzaam gescheiden levende echtgenoten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het college de intrekking van de bijstand van appellante met ingang van 1 september 2008 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Hier dient, alle periodes samengenomen, beoordeeld te worden de periode van 1 juli 2003 tot en met 11 november 2008, de datum van het primaire besluit (periode in geding).

4.2. Een deel van deze periode dateert van voor de inwerkingtreding per 1 januari 2004 van de WWB. Voor die datum was de Algemene bijstandswet (Abw) van toepassing. Het recht op bijstand en de op appellanten rustende verplichtingen moeten worden beoordeeld naar het recht zoals dat ten tijde van belang gold. De bevoegdheid van het college tot intrekking en terugvordering van de bijstand vindt zijn wettelijke grondslag uitsluitend in de WWB.

4.3. Vaststaat dat appellanten in de in geding zijnde periode met elkaar waren gehuwd. Het geding spitst zich toe op de vraag of het college terecht heeft aangenomen dat appellanten in die periode niet duurzaam gescheiden leefden.

4.4. Op grond van artikel 11, vierde lid, van de Abw en de WWB komt het recht op bijstand de echtgenoten gezamenlijk toe. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw en de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

4.5. De Raad is op grond van de beschikbare gegevens van oordeel dat appellant ten tijde van belang zo vaak in of bij de woning van appellante aanwezig was dat niet gesproken kan worden van duurzaam gescheiden leven in voormelde zin. De frequente aanwezigheid van appellant op het adres van appellante blijkt onder andere uit in het proces-verbaal vermelde informatie uit het politieregister. Daaruit kan met betrekking tot de situatie in en rond de woning van appellante worden afgeleid dat regelmatig sprake was van betrokkenheid van appellant bij burenoverlast en burenruzies, dat appellant daar meermalen door de politie is aangehouden, dat aangiftes zijn gedaan van bedreiging en mishandeling door appellant en dat appellant is aangetroffen bij politiecontroles. Voorts blijkt uit drie verklaringen van met name genoemde buurtbewoners in de omgeving van de woning van appellante dat appellant gedurende vele jaren wordt gezien en herkend als (over)buurman. Ter zitting is door appellanten verklaard dat appellant in die tijd verslaafd was en veel problemen had en dat hij vaak naar de woning van appellante kwam om daar zijn kinderen te zien. Appellante vond het goed dat appellant zijn kinderen bezocht. Appellante wilde bevriend blijven met appellant, ook omdat ze wilde voorkomen dat hij hun kinderen mee zou nemen. Appellant kwam zo’n twee keer in de week langs bij de woning van appellante, soms ook in het weekend. Appellant sliep bij vrienden of in de auto bij de woning van appellante en wachtte dan tot negen uur ’s ochtends om zijn kinderen te bezoeken. De auto’s waarvan hij gebruik maakte waren van familie van appellante. Appellante had een auto op haar naam staan die ze zelf gebruikte en die ze ter beschikking stelde van appellant. Appellant kon in die tijd geen auto op zijn naam hebben omdat hij geen rijbewijs had. Appellanten presenteerden zich bij contacten met de buurtbewoners en de politie in Dronten als een gezin. Anders dan door appellanten is gesteld, leiden voormelde feiten in onderling verband bezien, ondanks de voor ieder afzonderlijk feit door hen gegeven verklaring, tot de conclusie dat zij niet duurzaam gescheiden leefden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad zijn de omstandigheden die tot een bepaalde leefvorm hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie in dit kader niet van belang. Dit betekent dat appellante gedurende de onder 4.1 vermelde periode niet als zelfstandig subject van bijstand kon worden beschouwd.

4.6. De stelling van appellanten dat appellant ten tijde van belang niet zijn hoofdverblijf had bij appellante leidt in het licht van voormeld wettelijk kader en van voormelde gegevens niet tot een ander oordeel. Zolang de scheiding van appellanten niet duurzaam is, kunnen zij in het kader van de Abw en de WWB niet als zelfstandig subject van bijstand worden aangemerkt, ook al wonen zij op verschillende adressen. De beroepsgronden die op deze stelling betrekking hebben, te weten de betwiste dan wel beoogde bewijskracht van verschillende getuigenverklaringen en de gestelde beperkte betekenis van de vastgestelde geldopnames in Dronten, slagen dan ook niet.

4.7. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door het college niet te informeren over het feit dat haar echtgenoot vaak bij haar was. Daarmee heeft zij het college de mogelijkheid onthouden om te beoordelen of zij wel duurzaam gescheiden leefde van appellant. Ten gevolge hiervan heeft het college appellante over de in geding zijnde periode ten onrechte als ongehuwd aangemerkt en haar bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het college was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om de bijstand van appellante over de in het bestreden besluit vermelde periodes in te trekken. Daarmee is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB voldaan, zodat het college tevens bevoegd was de in bedoelde periodes voor appellante gemaakte kosten van bijstand van haar terug te vorderen.

4.8. In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar dit achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden. Aangezien vaststaat dat appellant als deze persoon moet worden aangemerkt, is het college bevoegd de voor appellante gemaakte kosten van bijstand mede van hem terug te vorderen.

4.9. Tegen de wijze waarop de bevoegdheden tot intrekking, terugvordering en medeterugvordering zijn uitgeoefend, zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.10. De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J.M. Tason Avila.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

HD