Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8875

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
10-1407 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Verlaging van de bijstand met 60% gedurende een maand. Niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid aan de kant van appellante ontbreekt. Het college was gehouden een maatregel op te leggen. De gedraging is echter niet aan te merken als een gedraging van de vijfde categorie, maar als een gedraging van de vierde categorie als bedoeld in artikel 9 van de maatregelenverordening. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Vernietiging bestreden besluit. De Raad voorziet zelf in de zaak: verlaging van de bijstand met 30% gedurende een maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1407 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 januari 2010, 09/840 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Pekela (college)

Datum uitspraak: 13 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. van Wolde, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 31 januari 2012. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 19 augustus 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Appellante heeft in het kader van een stappenplan van 31 mei 2008 tot en met 26 juni 2008 als activiteit Work First een arbeidstraining gevolgd bij Synergon gedurende twintig uur per week met als doel arbeidsritme op te doen dan wel te behouden. Op 22 september 2008 heeft appellante een trajectplan uitstroom 2008 ondertekend, waarbij deze training is verlengd voor de periode van 22 september 2008 tot en met 28 november 2008. Op 20 november 2008 heeft de consulent werk met appellante een voortgangsgesprek gehouden. Daarbij is haar een overeenkomst bij [BV] ([BV]) aangeboden voor de duur van zeven maanden. Appellante is vervolgens uitgenodigd door de personeelsfunctionaris van [BV], onder meer om de arbeidsvoorwaarden te bespreken. De personeelsfunctionaris heeft daarna aan het college gemeld dat appellante heeft geweigerd om de aangeboden overeenkomst te ondertekenen, omdat dit haar te weinig zekerheid bood en appellante de voorkeur gaf aan een langer dienstverband. Met appellante is daarna voor 3 december 2008 nog een afspraak gemaakt om haar nogmaals te motiveren tot het ondertekenen van de overeenkomst. Deze afspraak heeft appellante echter afgezegd. Naar aanleiding hiervan heeft de consulent werk op 22 december 2008 een Rapport Maatregeloverweging (rapport) opgesteld, waarin hij adviseert appellante een maatregel op te leggen.

1.3. Bij besluit van 3 februari 2009 heeft het college, met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 9, zesde lid, onder f, in verbinding met artikel 10, eerste lid, onder f, van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Pekela (maatregelenverordening), de bijstand van appellante met ingang van 1 maart 2009 met 100% verlaagd voor de duur van twee maanden. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante niet heeft voldaan aan de arbeids- en re-integratieverplichtingen die aan de uitkering zijn verbonden, omdat appellante een aangeboden betrekking bij [BV] heeft afgewezen.

1.4. Bij besluit van 14 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 februari 2009 gegrond verklaard en dit laatste besluit herroepen. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat appellante een gesubsidieerde dienstbetrekking is aangeboden bij [BV]. Deze moet worden gezien als een voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Het niet meewerken hieraan dient als een voortijdige beëindiging van een door het college aangeboden voorziening te worden aangemerkt. Dit is een maatregelwaardige gedraging in de vijfde categorie die leidt tot een verlaging van de bijstand met ingang van 1 maart 2009 met 60% gedurende een maand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Appellante voert, samengevat, aan dat zij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB niet heeft geschonden. Haar is nooit daadwerkelijk een overeenkomst aangeboden, zodat ook niet gezegd kan worden dat zij een dienstbetrekking dan wel re-integratieaanbod heeft geweigerd. Voorts is haar een onjuiste maatregel opgelegd. In het onderhavige geval gaat het niet om een voortijdige beëindiging van een voorziening, maar hooguit om het niet meewerken aan activiteiten in het kader van een door het college aangeboden, nieuwe voorziening, gericht op arbeidsinschakeling. Ten slotte betwijfelt appellante of het enkel verrichten van productiewerk, dat zij de maanden ervoor ook al heeft gedaan, nog aangeduid kan worden als een voorziening die is gericht op arbeidsinschakeling.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het hier van belang zijnde wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het zich onder de gedingstukken bevindend rapport en de gespreksverslagen. De rechtbank heeft daarom terecht de daarin genoemde gedragingen van appellante als vaststaand aangenomen. Appellante kan dan ook niet worden gevolgd in haar stelling dat haar geen overeenkomst is aangeboden. Immers, het voortgangsgesprek met de consulente werk van 20 november 2008, het gesprek met de personeelsfunctionaris van [BV] en de gemaakte afspraak voor 3 december 2008 waren uitdrukkelijk op het ondertekenen van een overeenkomst bij [BV] gericht. Nu de opstelling en houding van appellante er uiteindelijk toe hebben geleid dat er geen overeenkomst met [BV] tot stand is gekomen, kan voorts niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid van haar kant ontbreekt.

4.2. Hieruit vloeit voort dat het college ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was een maatregel op te leggen. De onder 4.1 genoemde gedraging is echter niet aan te merken als een gedraging van de vijfde categorie als bedoeld in artikel 9 van de maatregelenverordening, aangezien er in het onderhavige geval geen sprake is van een voortijdige beëindiging van een voorziening. De bestaande voorziening bij Synergon liep immers af en het ondertekenen van het de overeenkomst had betrekking op een nieuwe voorziening bij [BV], die door toedoen van appellante niet tot stand is gekomen. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit vernietigen. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe als volgt.

4.3. Hetgeen onder 4.1 is overwogen leidt tot de conclusie dat appellante niet heeft meegewerkt aan activiteiten in het kader van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder sociale activering. Dit betreft een gedraging van de vierde categorie als bedoeld in artikel 9 van de maatregelenverordening, die ingevolge artikel 10 leidt tot verlaging van de bijstand met 30% voor een maand. De bijstand van appellante dient daarom met ingang van 1 maart 2009 met 30% te worden verlaagd voor een maand. Hetgeen appellante heeft aangevoerd over de aard van de werkzaamheden leidt niet tot het oordeel dat er dringende redenen zijn van deze verlaging af te zien dan wel de verlaging te matigen.

4.4. Op grond van hetgeen onder 4.3 is overwogen, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de bijstand van appellante met ingang van 1 maart 2009 verlagen met 30% voor een maand.

5. Er bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 437,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 14 juli 2009 voor zover daarbij de bijstand met ingang van 1 maart 2009 is verlaagd met 60% voor een maand;

- verlaagt de bijstand van appellante met ingang van 1 maart 2009 met 30% voor een maand en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.081,--;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 151,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het op 13 maart 2012.

(get.) E.J.M. Heijs.

(get.) E. Heemsbergen.

HD