Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8868

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
10-1503 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van arbeidsverplichtingen voor zover deze zien op arbeid voor meer dan 20 uur per week. Het college heeft zijn besluitvorming mogen baseren op de rapportages van het door het college ingeschakelde medisch adviesbureau. Niet is gebleken dat deze rapportages wat de wijze van totstandkoming betreft of naar inhoud niet deugdelijk zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1503 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 februari 2010, 09/3931 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (college)

Datum uitspraak: 13 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J. Jurgers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2012. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Mol.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant en zijn echtgenote ontvangen sinds 29 mei 2002 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant was in verband met fysieke en psychische beperkingen ontheven van de arbeidsverplichtingen voor zover deze zien op arbeid voor meer dan 20 uren per week.

1.3. Op 22 januari 2009 heeft appellant in het kader van een professionele beoordeling van de arbeidsmogelijkheden op verzoek van de gemeentelijke sociale dienst een medisch onderzoek ondergaan bij Stichting SAP. De adviserend verzekeringsarts heeft zijn bevindingen neergelegd in een medisch onderzoeksverslag van 22 januari 2009. Daarin heeft hij geconcludeerd dat appellant beperkingen heeft ten aanzien van het verrichten van arbeid. Rekening houdend met deze beperkingen acht de verzekeringsarts appellant medisch in staat om ten minste 20 uur per week, 4 uur per dag, passende activiteiten of werkzaamheden te verrichten.

1.4. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek heeft het college bij besluit van 4 maart 2009 appellant tot 22 januari 2011 ontheven van de in artikel 9, eerste lid, van de WWB opgenomen arbeidsverplichtingen voor zover deze zien op arbeid voor meer dan 20 uur per week.

1.5. Op 27 mei 2009 heeft in bezwaar op verzoek van het college een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden door Stichting SAP. De adviserend arbeidskundige heeft zijn bevindingen neergelegd in een onderzoeksrapportage belastbaarheid, structureel functionele beperkingen en re-integratiemogelijkheden van 27 mei 2009. Gelet op de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid, alsmede gelet op de vooropleiding en werkervaring van appellant en rekening houdend met diens krachten en bekwaamheden, heeft de arbeidskundige appellant geschikt geacht voor functies als montage medewerker, samensteller en inpakker en voor licht magazijnwerk en licht schoonmaakwerk.

1.6. Bij besluit van 23 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 maart 2009 ongegrond verklaard. Het college heeft zijn besluitvorming gebaseerd op de rapportages vermeld in 1.3 en 1.5.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid dan wel aan de zorgvuldige totstandkoming van de rapportages die het college aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren omdat de grondslag van het bestreden besluit anders is komen te liggen als gevolg van het feit dat het college ter zitting van de rechtbank zijn bezwaar tegen de arbeidsplaats bij de Springplank heeft ingetrokken.

3.2. Appellant heeft voorts, onder verwijzing naar informatie van zijn behandelaars, onder andere de informatie van zijn huisarts, aangevoerd dat er redenen zijn om te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts. De rechtbank heeft miskend dat het college niet alleen nader onafhankelijk medisch onderzoek, maar ook actueel arbeidskundig onderzoek had moeten verrichten. Appellant acht zich gelet op zijn beperkingen niet in staat om de door het college geduide functies te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij verwijst naar de aangevallen uitspraak voor de van belang zijnde wettelijke bepalingen.

4.1. De beroepsgrond vermeld in 3.1 treft geen doel. Zoals het college terecht in zijn verweerschrift in hoger beroep heeft opgemerkt, berust deze beroepsgrond op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak. Uit overweging 2.4 van de aangevallen uitspraak blijkt dat, gelet op de mededeling van het college dat het project Springplank afgesloten was voor appellant, niet het college, maar appellant zijn bezwaren die zagen op de arbeidsplaats bij Springplank heeft ingetrokken.

4.2. De beroepsgrond vermeld in 3.2 treft evenmin doel. De rechtbank heeft in overweging 2.4 van de aangevallen uitspraak met juistheid overwogen dat het college zijn besluitvorming heeft mogen baseren op de in 1.3 en 1.5 bedoelde rapportages. Niet is gebleken dat deze rapportages wat de wijze van totstandkoming betreft of naar inhoud niet deugdelijk zijn. De informatie die appellant van zijn huisarts heeft overgelegd, leidt niet tot een andere conclusie. Daaruit blijkt immers niet dat appellant met zijn beperkingen niet in staat is voor maximaal 20 uur per week passende activiteiten of werkzaamheden te verrichten. De daarin vermelde knieklachten kunnen gelet op de datum waarop deze zijn gaan spelen, in deze procedure geen rol spelen. De verwijzing naar de orthopeed heeft namelijk pas in november 2009 plaatsgevonden. Appellant heeft tijdens het onderzoek dat aan de medische rapportage ten grondslag ligt, niet geklaagd over knieklachten. Bij het lichamelijk onderzoek dat toen is verricht zijn geen afwijkingen gevonden. Deze klachten heeft appellant ook niet eerder in bezwaar en beroep naar voren gebracht.

4.3. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) V.C. Hartkamp.

NK