Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8842

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
11-5425 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepkwekerij. Maatregel: Verlaging bijstand 100% gedurende één maand; schending inlichtenverplichting. Intrekking en terugvordering bijstand; schending inlichtingenverplichting en het recht op bijstand is niet vast te stellen. Appellant heeft geen concrete verifieerbare gegevens verstrekt over de (aanvang van de) exploitatie van de kwekerij, de productie en de afzet. Daarmee heeft hij voor het vaststellen van de aanvang van de kwekerij een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen geheel voor zijn rekening dienen te blijven. Het college heeft zich voor het bepalen van de aanvang van de kwekerij op 24 juni 2005, bij gebrek aan gegevens van de zijde van appellant, gebaseerd op de rapportage diefstal energie van Eneco van 9 juni 2006. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/5425 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 augustus 2011, 10/7403 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak: 14 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Westendorp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving al voor 1 januari 2005 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij brief van 11 september 2009 heeft het Arrondissementsparket Den Haag een kopie van een tegen appellant opgemaakt proces-verbaal toegestuurd aan de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage. Uit dit proces-verbaal blijkt dat op 10 mei 2006 een hennepkwekerij is aangetroffen in de woning van appellant.

1.3. Bij besluit van 19 mei 2010 heeft het college de bijstand van appellant gedurende een maand verlaagd met 100%. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant verwijtbaar de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.

1.4. Op basis van de bevindingen uit het proces-verbaal heeft het college bij besluit van 2 augustus 2010 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellant verleende bijstand ingetrokken van 24 juni 2005 tot en met 9 mei 2006 op de grond dat het recht op bijstand over deze periode niet is vast te stellen omdat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij een hennepkwekerij exploiteerde in zijn woning. Voorts heeft het college met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de over de hiervoor genoemde periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 8.984,60 bruto.

1.5. Bij besluit van 13 september 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 19 mei 2010 en 2 augustus 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Appellant heeft aangevoerd dat het college met het opleggen van de maatregel in strijd heeft gehandeld met artikel 8, derde en vierde lid, van de Maatregelverordening inkomensvoorzieningen van de gemeente ’s-Gravenhage (verordening). Volgens appellant moeten deze bepalingen ruimer worden uitgelegd dan het college heeft gedaan, en valt daaronder ook de situatie dat sprake is (geweest) van een vervolging door het openbaar ministerie voor (verzwegen) hennepteelt, zoals in het geval van appellant.

4.1.2. Ingevolge artikel 8, derde lid, van de verordening wordt een maatregel niet opgelegd zolang het openbaar ministerie een aangifte ter zake van een strafbaar feit onderzoekt, verband houdend met het niet nakomen van de verplichting op grond van artikel 17 van de WWB. Ingevolge het vierde lid blijft een maatregel definitief achterwege als ter zake van de aangifte tegen de belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.

4.1.3. Van een aangifte door de gemeente ter zake van een strafbaar feit dat verband houdt met het niet nakomen van de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 van de WWB, gevolgd door een onderzoek (derde lid) en strafvervolging (vierde lid) door het openbaar ministerie is hier geen sprake geweest. De vervolging door het openbaar ministerie betrof immers de hennepteelt zelf en niet de schending van de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 van de WWB naar aanleiding van een aangifte door de gemeente. De Raad ziet geen aanleiding om de bepalingen van de verordening ruimer te lezen op de wijze zoals door appellant bepleit. Deze grond slaagt dus niet.

4.2.1. Appellant heeft verder de door het college gehanteerde ingangsdatum van de intrekking betwist, en in dat kader aangevoerd dat het college ten onrechte is uitgegaan van een langere periode van hennepteelt dan drie maanden. Appellant stelt in dit kader dat hij voorafgaand aan de hennepplanten die op 10 mei 2006 in beslag zijn genomen slechts één, mislukte, kweek heeft gehad.

4.2.2. Appellant heeft geen concrete verifieerbare gegevens verstrekt over de (aanvang van de) exploitatie van de kwekerij, de productie en de afzet. Daarmee heeft hij voor het vaststellen van de aanvang van de kwekerij een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen geheel voor zijn rekening dienen te blijven. Het college heeft zich voor het bepalen van de aanvang van de kwekerij op 24 juni 2005, bij gebrek aan gegevens van de zijde van appellant, gebaseerd op de rapportage diefstal energie van Eneco van 9 juni 2006. Uit deze rapportage blijkt dat Eneco aan de hand van het groeistadium van de aangetroffen hennepplanten heeft geschat dat deze 40 dagen oud waren.

De vermoedelijke daaraan voorafgaande kweekperiode van vier volledige hennepoogsten (à 70 dagen) voorafgaand aan 10 mei 2006 heeft Eneco gebaseerd op de laag stof op de kappen van de assimilatielampen, de mate van vervuiling van het witte filtermateriaal van de aanwezige koolstoffilter, dat erop duidt dat de filter minimaal vier à vijf hennepoogsten in werking was geweest, de dikke kalkaanslag op het zeil onder de plantenpotten, een vieze laag op het water in het watervat en de kalkaanslag op de zijkant van het vat. De vervuiling van de koolstoffilter moet ter plekke zijn ontstaan, omdat onder de banden waaraan de koolstoffilter was opgehangen geen vervuiling is aangetroffen. De medewerker van Eneco die de schatting heeft gemaakt is veelvuldig betrokken bij het ontmantelen van hennepkwekerijen en kan als een ter zake kundig persoon worden aangemerkt. Het college heeft zich in de gegeven omstandigheden, zoals appellant heeft gesteld, op deze schatting van Eneco kunnen baseren. Hieraan doet niet aan af dat Eneco een eigen belang zou kunnen hebben bij de schatting.

4.3. Ter zitting heeft appellant gesteld dat hij het college zowel op de dag van inbeslagname van de hennepkwekerij als ook later heeft geïnformeerd over de hennepkwekerij in zijn woning. Appellant betoogt dat hij, omdat besluitvorming vervolgens uitbleef, er op mocht vertrouwen dat het college daaraan geen consequenties zou verbinden. Dit betoog slaagt niet, omdat niet is gebleken van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de zijde van het college waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd. Het enkele uitblijven van besluitvorming is daartoe onvoldoende.

4.4. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat sprake is van een dringende reden op grond waarvan het college van terugvordering af had moeten zien. Appellant stelt dat hij een zeer slechte gezondheid heeft. Het vooruitzicht van de financiële malaise waarin hij zich door de terugvordering zal bevinden moet volgens hem als levensbedreigend worden bestempeld. Uit het door het college gevoerde beleid blijkt dat in individuele gevallen van terugvordering kan worden afgezien in geval van dringende redenen. Daarbij heeft het college dringende redenen beperkt tot gevallen waarin de terugvordering een zo grote belasting vormt voor de debiteur dat sprake is van levensbedreigende omstandigheden. Appellant heeft zijn stelling dat als gevolg van de terugvordering sprake zal zijn van een levensbedreigende situatie niet, bijvoorbeeld met de verklaring van een arts, aannemelijk gemaakt. Van een dringende reden is dan ook niet gebleken.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012.

(get.) J.N.A. Bootsma.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD