Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8768

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
10-2577 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geschikt voor eigen werk. Het bestreden besluit berust op een voldoende zorgvuldige en inzichtelijke medische onderbouwing. De door appellante in hoger beroep overgelegde medische informatie geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2577 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 april 2010, 09/3613 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ( Uwv).

Datum uitspraak: 14 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J. Visser, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2012, waar appellante is verschenen bij gemachtigde, mr. A.B.M. Adriaansen, advocaat, kantoorgenoot van mr. Visser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante was laatstelijk op basis van een tijdelijk dienstverband werkzaam als schoonmaakster voor 22,5 uur per week. Vanaf 25 februari 2009 heeft zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 15 mei 2009 heeft zij zich ziek gemeld in verband met psychische klachten. Per 25 mei 2009 is de WW-uitkering beëindigd en vanaf die datum ontving appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.3. Na onderzoek door een verzekeringsarts op 23 juni 2009 is appellante hersteld verklaard voor haar arbeid en bij besluit van 23 juni 2009 is de ZW-uitkering per 25 juni 2009 beëindigd.

1.4. Bij besluit van 14 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 juni 2009 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het bestreden besluit doen berusten op de rapportage van bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff van 10 juli 2009, die de dossiergegevens, waaronder informatie van de huisarts, heeft bestudeerd, en appellante heeft gezien bij een hoorzitting en spreekuur op 10 juli 2009.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts appellante heeft gezien op de hoorzitting/spreekuur van 10 juli 2009 en een onderzoek naar de psyche van appellante heeft gedaan. Met de bezwaarverzekeringsarts is de rechtbank van oordeel dat uit de verwijsbrief van de huisarts niet blijkt dat bij appellante sprake is van een psychische stoornis en de huisarts geen aanleiding heeft gezien appellante ten tijde hier in geding te verwijzen naar een psycholoog of psychiater. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat door appellante geen medische informatie is ingebracht die aanleiding zou geven te twijfelen aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv op goede gronden de ZW-uitkering heeft beëindigd.

3. Appellante heeft in hoger beroep (samengevat) aangevoerd dat haar medische beperkingen door het Uwv zijn onderschat en dat zij niet in staat is om te werken. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij bij brief van 20 januari 2012 een rapport overgelegd van psycholoog drs. L. van Son van 5 oktober 2010.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Onder ‘zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte werk. In het geval er geen dienstverband meer aanwezig is en vast staat dat terugkeer in de vorige baan niet mogelijk is, is de maatstaf diezelfde arbeid verricht in dienst van een soortgelijke werkgever. Met het werk als schoonmaakster heeft het Uwv voor appellante een juiste maatstaf arbeid aangenomen.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit berust op een voldoende zorgvuldige en inzichtelijke medische onderbouwing en onderschrijft de door de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. De door appellante in hoger beroep overgelegde medische informatie brengt de Raad niet tot een andersluidend oordeel. Appellante heeft zich tijdens haar ziekte niet onder behandeling van een psychiater gesteld en gebruikte op 25 juni 2009 geen psychofarmaca. Het Rapport klinisch-psychologische screening van 5 oktober 2010 is ruim na de datum in geding opgesteld en bevat geen diagnose op grond waarvan kan worden aangenomen dat bij appellante ten tijde als hier in geding sprake was van een psychische stoornis, noch nieuwe medische gegevens over de gezondheidssituatie van appellante op 25 juni 2009.

4.3. Gelet op het hiervoor gestelde in 4.1 en 4.2 komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en B.M. van Dun en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) Z. Karekezi.

KR