Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8722

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
10-3195 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Voldoende basis om te stellen dat appellant met recht heeft aangenomen dat, althans op de datum in geding, er onvoldoende te objectiveren beperkingen waren bij betrokkene, in die zin dat hij geacht moet worden niet ongeschikt te zijn voor het verrichten van zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3195 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ?’s-Hertogenbosch van 28 mei 2010, 10/559 en 10/1089 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] ( betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 14 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S.S.M. Teklenburg, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door R.E.J.P.M. Rutten. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Teklenburg.

De Raad is tot de conclusie gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft het onderzoek heropend.

De Raad heeft appellant bij brief van 16 augustus 2011 vragen gesteld.

Appellant heeft naar aanleiding daarvan bij brief van 20 september 2011 rapporten ingezonden van 31 augustus 2011 van de bezwaararbeidsdeskundige F.J.M van den Bliek en van 15 september 2011 van de bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman.

Beide partijen hebben nadien toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder (hernieuwde) behandeling ter zitting.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene werkzaam als postsorteerder, heeft zich op 22 oktober 2007 ziek gemeld in verband met arm-, hand- en polsklachten; nadien was ook sprake van rug- en beenklachten en van klachten van psychische aard. Terzake is hem een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Na onderzoek door de verzekeringsarts S. Farid, waarvan op 16 mei 2008 rapport is opgemaakt, is betrokkene per 19 mei 2008 geschikt verklaard tot het verrichten van de maatgevende arbeid. Aan betrokkene is dienovereenkomstig bij besluit van 16 mei 2008 met ingang van 19 mei 2008 geen ziekengeld meer verstrekt. Het hiertegen door betrokkene ingediende bezwaar is bij besluit van 26 juni 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Betrokkene die inmiddels een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, heeft zich op 9 juni 2008 met nagenoeg dezelfde klachten als voorheen ziek gemeld. Betrokkene is op of omstreeks 14 juli 2008 onderzocht door de verzekeringsarts N.M.M. Kummeling, die aan de handen, armen en vingers geen bijzonderheden heeft vastgesteld en spreekt van een goede functie en kracht (van onder meer de handen). Betrokkene is vervolgens bij besluit van 14 juli 2008 per 15 juli 2008 verdere uitkering van ziekengeld geweigerd. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman voornoemd, onder meer omdat door een behandelend arts een carpaal tunnelsyndroom rechts was geconstateerd, het medisch oordeel van N.M.M. Kummeling niet onderschreven, waarna het bezwaar van betrokkene bij besluit van 1 oktober 2008 gegrond is verklaard en de ZW-uitkering is voortgezet.

1.2. Betrokkene is opnieuw gezien door de verzekeringsarts Kummeling voornoemd die blijkens zijn rapport van 11 december 2008 opnieuw bij inspectie van de armen, polsen en handen geen afwijkingen heeft vastgesteld. Bij besluit van 11 december 2008 is betrokkene per 12 december 2008 verdere uitkering van ziekengeld geweigerd. Namens betrokkene is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De bezwaarverzekeringsarts Hoffman heeft in zijn rapport van 23 januari 2009 in lijn met Kummeling gesteld dat er weliswaar afwijkingen zijn maar niet van dien aard dat betrokkene zijn eigen werk niet zou kunnen doen. Bij besluit van 16 februari 2009 is het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 18 december 2009, 09/5597 en 09/984, onder meer het namens betrokkene ingestelde beroep tegen het besluit van 16 februari 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de medische grondslag van het besluit voor wat betreft de been- en rugklachten van betrokkene alsmede met betrekking tot zijn psychische klachten voldoende deugdelijk is. Ten aanzien van de pols- en armklachten bestaat volgens de rechtbank minder zekerheid, nu het wel duidelijk is dat er een carpaal tunnelsyndroom (CTS) is vastgesteld, maar onduidelijk is welke beperkingen daaruit voor betrokkene voortkomen. Dit klemt temeer omdat bij het eigen werk als postsorteerder, waarbij postpakketten van een lopende band gehaald moeten worden die in boxen worden gedaan, de armen en handen zwaar worden belast aldus de rechtbank. Op dit punt acht de rechtbank het besluit onvoldoende gemotiveerd; appellant zal in het kader van het nemen van een nieuw besluit op bezwaar de beperkingen van betrokkene en de belasting van zijn functie goed in kaart dienen te brengen en daarna moeten onderzoeken of betrokkene met deze beperkingen de belasting van de functie aankan.

1.3. Appellant heef in deze uitspraak berust. Na rapportage van Hoffman voornoemd van 6 januari 2010 heeft appellant het bezwaar van betrokkene bij besluit van 7 januari 2010 (bestreden besluit) wederom ongegrond verklaard.

2. Het namens betrokkene tegen het bestreden besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard. Tevens is het bestreden besluit vernietigd. Verder heeft de rechtbank aanleiding gezien om het besluit van 11 december 2008 te vernietigen. Daartoe heeft de rechtbank, verkort weergegeven, overwogen dat appellant nog steeds geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2009, nu het door de rechtbank bedoelde beeld van beperkingen enerzijds en belasting van het eigen werk anderzijds niet te vinden is in het eerder bedoelde rapport van 6 januari 2010 (en de latere toelichting van 14 april 2010) van Hoffman. Ook berust het bestreden besluit gelet op de aanwezige medische gegevens op een onvoldoende deugdelijke motivering, aldus de rechtbank.

3. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat door middel van laatst genoemde rapporten van de bezwaarverzekeringsarts Hoffman aan de door de rechtbank bedoelde opdracht is voldaan. Ook heeft de rechtbank volgens appellant te veel gewicht toegekend aan het gegeven dat in maart 2009 alsnog een operatie in verband met het CTS heeft plaatsgevonden.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Allereerst stelt de Raad vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak met recht heeft geoordeeld dat ten tijde van die uitspraak niet aan de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van 18 december 2009 was voldaan. De eerder genoemde rapporten van Hoffman van 6 januari 2010 en 24 april 2010 bevatten slechts een nadere uitleg van diens daaraan voorafgaande rapporten en niet het door de rechtbank gewenste beeld van de belasting verbonden aan het eigen werk in vergelijking tot de uit met name het CTS voortvloeiende beperkingen. De door de rechtbank beoogde verduidelijking is echter wel te vinden in de in hoger beroep alsnog overgelegde rapporten van bezwaararbeidsdeskundige F.J.M. van den Bliek van 31 augustus 2011 en van Hoffman voornoemd van 15 september 2011. Eerstgenoemde heeft in zijn rapport na informatie bij de voormalige werkgever van betrokkene te hebben ingewonnen, een omschrijving gegeven van het werk (de pakketten die van de band moesten worden gehaald, varieerden in gewicht van enkele grammen tot het volgens de Arbo-normen maximaal toegestane gewicht). Hoffman heeft in laatstvermeld rapport uitgelegd dat de enkele diagnose CTS niet doorslaggevend is en benadrukt dat Kummeling in zijn rapport van 11 december 2008 vermeldt dat geen afwijkingen aan de handen en armen zijn gevonden en dat de kracht beiderzijds goed is; ook de plastisch chirurg J.A.H. van Rappart komt in zijn brief van 16 april 2009 tot een soortgelijke conclusie en meent dat betrokkene binnen afzienbare tijd zijn eigen werk weer kan doen. Hoffman merkt nog op dat een mogelijke verergering van de klachten na de datum geding hier niet aan de orde is. Hieraan kan worden toegevoegd dat ook in de rapporten van Farid en Kummeling voornoemd van respectievelijk 16 mei 2008 en 14 juli 2008 sprake is van het ontbreken van evidente afwijkingen aan handen, armen en polsen; er is in feite alleen sprake van stijfheid in de handen en armen na het opstaan, welke in de loop van de ochtend verdwijnt. Op grond van deze gegevens is er voldoende basis om te stellen dat appellant met recht heeft aangenomen dat, althans op de datum in geding, er onvoldoende te objectiveren beperkingen waren bij betrokkene, in die zin dat hij geacht moet worden niet ongeschikt te zijn voor het verrichten van zijn arbeid.

4.3. Hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij het primaire besluit van 11 december 2008 is vernietigd. Voor het overige komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

5. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het besluit van 11 december 2008 is vernietigd;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) de griffier is buiten staan te ondertekenen

JL