Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8699

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2012
Datum publicatie
13-03-2012
Zaaknummer
10-2576 WIA-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Toekenning IVA-uitkering. Maatman. Het Uwv kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat appellant bij aanvang van de verzekering ongeschikt was voor zijn werk als commercieel directeur. Het bestreden besluit is niet op een zorgvuldige wijze voorbereid en een draagkrachtige motivering ontbreekt. Het Uwv dient het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Wetsverwijzingen
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 6
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2576 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 maart 2010, 09/0903 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Verhagen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft schriftelijk vragen gesteld. Daarop heeft het Uwv nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2011. Appellant is bijgestaan door mr. A.M. Slierendrecht. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.H. Put.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 1 september 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 27 augustus 2008 het recht is ontstaan op een IVA-uitkering. De hoogte van de IVA-uitkering (inclusief vakantiegeld) is berekend op € 1.331,10 bruto per maand, waarbij het maatmanloon is vastgesteld op € 10,20 per uur bij een werkweek van 40 uur. De hoogte van het maatmanloon is gebaseerd op de (mediane) functie van dienstleider. Het Uwv heeft zich met betrekking daartoe op het standpunt gesteld dat appellant bij aanvang verzekering (1 oktober 2005) ongeschikt was voor zijn laatst verrichte werk als commercieel directeur, maar dat hij nog wel geschikt was te achten voor passende functies.

1.3. Bij besluit van 20 februari 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv zijn besluit van 1 september 2008 gehandhaafd.

2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Gelet op de beschikbare medische gegevens en appellants verklaring tijdens de hoorzitting heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de juistheid van het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts in twijfel te trekken. De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de medische beperkingen van appellant per 1 oktober 2005 voldoende inzichtelijk en toereikend geacht.

Daarnaast heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het Uwv de (bezwaar)arbeidsdeskundige niet heeft kunnen volgen in het standpunt dat de belasting in de maatgevende arbeid van commercieel directeur appellants belastbaarheid te boven gaat. Dat geldt evenzeer voor de conclusie van het Uwv dat appellant tegelijkertijd wel geschikt was voor het verrichten van passende functies, waaronder de functie van dienstleider. De rechtbank heeft geoordeeld dat de (bezwaar)arbeidsdeskundige inzichtelijk en toereikend heeft gemotiveerd waarom deze functie de belastbaarheid van appellant bij aanvang verzekering niet overschrijdt.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn stelling gehandhaafd dat het Uwv hem bij aanvang verzekering ten onrechte ongeschikt heeft geacht voor zijn werk als commercieel directeur.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de maatman stelt de Raad voorop dat bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in beginsel als maatman dient te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde laatstelijk verrichtte voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien moet worden aangenomen dat die arbeid als gevolg van de bij de verzekerde bestaande beperkingen van meet af aan voor hem ongeschikt is geweest. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, dienen de omstandigheden van het geval voor het bestaan van een reële arbeidsongeschiktheid bij de aanvang van de verzekering voldoende en ondubbelzinnige indicaties te geven. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van bijvoorbeeld 28 mei 2010, LJN BM6363.

4.2. Het standpunt van het Uwv dat appellant bij aanvang verzekering niet in staat was om het werk als commercieel directeur uit te voeren, steunt op het verzekeringsgeneeskundig rapport van 14 juli 2008 en het arbeidskundig rapport van

26 augustus 2008. Uit het verzekeringsgeneeskundig rapport komt naar voren dat appellant bij aanvang verzekering beperkingen ondervond als gevolg van een doorgemaakt lacunair infarct, jicht, hartklachten, adipositas en oedeem van de benen. Dienaangaande heeft de verzekeringsarts een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld, welke door de bezwaarverzekeringsarts is onderschreven. Op grond van de FML is de arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat met name de bovennormale eisen ten aanzien van het spreken aan de uitoefening van de functie van commercieel directeur door appellant in de weg staan. De bezwaararbeidsdeskundige heeft voor een andersluidende conclusie geen aanleiding gezien.

4.3. Uitgaande van zijn vaste rechtspraak, zoals weergegeven in overweging 4.1, kan de Raad het Uwv niet volgen in zijn standpunt dat appellant bij aanvang van de verzekering ongeschikt was voor zijn werk als commercieel directeur. Naar het oordeel van de Raad is het Uwv voorbijgegaan aan het feit dat appellant van 1 oktober 2005 tot

30 augustus 2006 werkzaam is geweest als commercieel directeur. Over de wijze waarop appellant deze functie gedurende elf maanden heeft uitgevoerd zijn enkel appellants verklaringen bekend. Uit die verklaringen, welke zijn neergelegd in de arbeidskundige rapportages van 26 augustus 2008 en 4 februari 2009, komt naar voren dat appellant wel naar behoren gefunctioneerd heeft als commercieel directeur. Het Uwv heeft daar op dit punt niets tegenover gesteld.

4.4. De stelling van het Uwv dat met name de bovennormale eisen met betrekking tot het spreken de uitoefening van de functie van commercieel directeur door appellant in de weg staan, volgt de Raad voorts evenmin. In zijn brief van 12 oktober 2005 heeft neuroloog R.J. Blom weliswaar vermeld dat bij neurologisch onderzoek sprake is van dysarthrie, doch in dezelfde brief is aangegeven dat appellant in goede klinische conditie is ontslagen. Voorts blijkt uit het ontslagbericht van 29 september 2005 dat appellant volledig is hersteld van het lacunair infarct en dat er geen sprake is van restverschijnselen. Verdere behandeling noch doorverwijzing (bijv. naar een logopedist) is noodzakelijk gebleken.

Gelet op de voorhanden zijnde medische informatie rondom aanvang verzekering, ontbreken naar het oordeel van de Raad objectieve gegevens op grond waarvan enige beperking op het aspect spreken is gerechtvaardigd. Dat appellant tijdens de hoorzitting op 27 januari 2009 heeft verklaard dat hij bij aanvang van de verzekering bijna niet kon praten doet daar niets aan af. In de stukken is daarvoor geen enkele steun te vinden.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet op een zorgvuldige wijze is voorbereid, alsmede dat een draagkrachtige motivering ontbreekt. Dat besluit dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.7. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt de Raad voorop dat de bestuursrechter bij een vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hij zelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan wel

informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.

4.8. Naar het oordeel van de Raad is het in het voorliggende geval niet mogelijk om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Voorts acht de Raad het niet aangewezen om zelf in de zaak te voorzien. De Raad ziet dan ook aanleiding om appellant met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door het nemen van een nieuw besluit. Voor dat herstel dient het Uwv nader arbeidskundig onderzoek te verrichten. Hierbij dient het Uwv als maatman in aanmerking te nemen de functie van commercieel directeur.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op om binnen dertien weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2012.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) K.E. Haan.

JL