Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8672

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2012
Datum publicatie
13-03-2012
Zaaknummer
11-2400 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling. Intrekking WAO-uitkering. De medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Er is geen grond voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant, zoals vastgesteld in de FML, heeft overschat. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt te achten voor appellant. Nu appellant laatstelijk, voorafgaand aan zijn ziekmelding, een WW-vervolguitkering ontving, valt niet in te zien dat het Uwv ten onrechte de maatmanhoogte heeft bepaald aan de hand van die uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2400 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te Amsterdam (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2011, 09/4447 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2012, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Stoppelenburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft na uitval per 3 augustus 1990 voor zijn werkzaamheden als hulpkok met ingang van 3 augustus 1991 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Met ingang van 15 juni 1996 is deze uitkering ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 15%. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. Op 18 juli 2000 heeft appellant vanuit een werkloosheidssituatie zich ziek gemeld met maag- en darmklachten, hoofdpijn- en duizeligheidsklachten en psychische klachten.

1.3. Ingaande 17 juli 2001 is hem een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.4. In het kader van een verplichte herbeoordeling is door het Uwv een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht naar de arbeidsmogelijkheden van appellant. Dit heeft ertoe geleid dat bij besluit van 10 maart 2009 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 11 mei 2009 is ingetrokken op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum op minder dan 15% moet worden gesteld.

1.5. Bij besluit van 17 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 maart 2009 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit rust op een bezwaarverzekeringsgeneeskundig en -arbeidskundig onderzoek.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is te achten en ziet geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts, die beperkingen van appellant nader heeft bijgesteld in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 augustus 2009, zijn conclusies deugdelijk heeft gemotiveerd, beschikte over informatie van de behandelend sector (de huisarts en chirurg) en in de rapportage blijk heeft gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek. Voor verdergaande beperkingen dan door de bezwaarverzekeringsarts nader is vastgesteld, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien.

2.3. De rechtbank acht verder onder verwijzing naar de rapportage van 17 augustus 2009 van de bezwaararbeidsdeskundige, naar aanleiding van de aanscherping van de beperkingen in de FML van 10 augustus 2009, voldoende gemotiveerd dat appellant de hem geduide functies kan vervullen.

2.4. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv bij berekening van de resterende verdiencapaciteit op juiste gronden het maatmanloon heeft gebaseerd op de WW-vervolguitkering die appellant voor zijn uitval ontving.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn bezwaren tegen de medische grondslag van het bestreden besluit gehandhaafd. In het bijzonder houdt hij staande dat het Uwv zijn psychische klachten en de hieruit voortvloeiende beperkingen ernstig heeft onderschat. Appellant wijst er op dat bij toekenning van de WAO-uitkering in juli 2001 hij volledig arbeidsongeschikt is beschouwd. Nu zijn gezondheidssituatie op de datum in geding ten opzichte van die in juli 2001 onveranderd is gebleven, acht hij zich niet in staat tot het fulltime verrichten van arbeid. Ter ondersteuning van dit standpunt is onder meer een beroep gedaan op een schrijven van de behandelend psycholoog van appellant. Voorts stelt appellant lichamelijke klachten, met name buikklachten, te hebben die nog nader onderzocht worden. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de vaststelling van zijn maatmanloon aan de hand van het bedrag van de WW-vervolguitkering niet juist is. Zijn ziekmelding in maart 2001 had opgevat moeten worden als een Ambersituatie op grond waarvan het maatmanloon gebaseerd had moeten worden op het loon van de functie van hulpkok, zijnde de functie waaruit appellant in 1990 is uitgevallen en op grond waarvan hem de eerdere WAO-uitkering was toegekend.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens ziet de Raad, gelet op de in het dossier aanwezige medische gegevens, geen grond voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant, zoals vastgesteld in de FML van 10 augustus 2009, heeft overschat. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat bezwaarverzekeringsarts K.T. Tan de door hem opgevraagde informatie van de huisarts en chirurg uitdrukkelijk in zijn heroverweging heeft betrokken, wat heeft geleid tot een aanzienlijke aanscherping van de beperkingen die bij het primair medisch onderzoek waren vastgesteld. Deze aanscherping heeft met name betrekking op het persoonlijk en sociaal functioneren.

In beroep noch in hoger beroep heeft appellant (nadere) medische gegevens overgelegd die aanknopingpunten bieden om te twijfelen aan de juistheid van de aangescherpte FML. Ook in de namens appellant ter zitting voorgelezen brief van de behandelend psycholoog zijn zulke aanknopingspunten niet te vinden.

4.2. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet geschikt te achten zijn voor appellant.

4.3. Ten aanzien van het maatmanloon overweegt de Raad dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat de aan de concrete vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op een bepaalde datum ten grondslag gelegde keuze met betrekking tot de maatman en het maatmaninkomen volledig kan worden getoetst. Voorts overweegt de Raad, onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, dat noch in de wet noch in de jurisprudentie steun kan worden gevonden voor de door appellant voorgestane benadering met betrekking tot de maatman en het daarbij behorende maatmaninkomen. Nu betrokkene laatstelijk, voorafgaand aan zijn ziekmelding per 18 juli 2000, een WW-vervolguitkering ontving, valt niet in te zien dat het Uwv ten onrechte de maatmanhoogte heeft bepaald aan de hand van die uitkering.

4.4. Het overwogene onder 4.1 tot en met 4.3 leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) G.J. van Gendt.

KR