Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8657

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
13-03-2012
Zaaknummer
11-3390 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstandsuitkering. Het betoog van appellant stuit af voor zover dat gebaseerd is de op stelling dat het College tekort is geschoten door hem niet tijdig uitsluitsel te geven over de omvang van zijn vermogen op de datum van intrekking van bijstand. Het college behoeft niet aan te geven wanneer betrokkene in verband met verantwoord interen weer recht op bijstand zal hebben. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad ook geen dringende reden gelegen op grond waarvan het College van terugvordering had moeten afzien. Bij de berekening van de redelijke termijn waarbinnen het College een beslissing op bezwaar had moeten nemen, moet de periode tussen 3 maart 2006 en 28 november 2008 voor de bepaling van de vertraging niet aan het College, maar aan appellant worden toegerekend.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 34, geldigheid: 2012-03-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/100
JWWB 2012/56
RSV 2012/120

Uitspraak

11/3390 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 april 2011, 10/430 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2011. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.N. Kooyman en A.H.G. van de Wauw, werkzaam bij de gemeente Beuningen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft vanaf 1 mei 1997 tot en met 31 maart 2004 bijstand ontvangen laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand. Op 25 februari 2003 is de moeder van appellant overleden. Appellant is erfgenaam. Op 23 april 2004 is op de bankrekening van appellant een bedrag van € 65.766,92 bijgeschreven als voorschot op de verdeling van de erfenis.

1.2. Bij besluit van 31 augustus 2004 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 25 februari 2003 ingetrokken op de grond dat appellant op die datum, onder meer op grond van de aanspraak op de erfenis van zijn moeder, beschikte over een vermogen van € 125.345,60, zijnde € 88.168,60 meer dan het voor appellant met in begrip van het in de eigen woning gebonden vermogen, maximaal vrij te laten vermogen van € 37.177,--.

1.3. Bij besluit van 28 juni 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 31 augustus 2004 gegrond verklaard en dat besluit ingetrokken (lees: herroepen). Daarbij is overwogen dat ten onrechte is overgegaan tot vaststelling van het vermogen van appellant per 25 februari 2003 en dat er een nieuwe vermogensvaststelling dient plaats te vinden per 23 april 2004. Indien op 23 april 2004 de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen wordt overschreden wordt de bijstand met ingang van die datum beëindigd.

1.4. Bij besluit van 21 december 2009 heeft het College het vermogen van appellant per 23 april 2004 vastgesteld op € 86.314,21 en een bedrag van € 18.186,53 van appellant teruggevorderd. De terugvordering betrof de kosten van verleende algemene bijstand over de periode van 25 februari 2003 tot en met 31 maart 2004 voorts de kosten van bijzondere bijstand voor woonkosten in die periode, de langdurigheidstoeslag 2003 en categoriale bijstand. In de terugvordering is verder begrepen een bedrag van € 341,-- betreffende een teruggaaf belastingen over 2002 inzake woonlasten waarvan appellant al eerder mededeling was gedaan.

2.1. Bij tussenuitspraak van 2 december 2010 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het College in staat gesteld zijn besluitvorming nader inzichtelijk te maken en te motiveren.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 21 december 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij besloten is een bedrag van € 18.186,53 van appellant terug te vorderen en voor zover daarbij de bijstand van appellant is ingetrokken over de periode van 1 april 2004 tot 31 augustus 2004. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van de beslissing om de kosten van bijstand van appellant terug te vorderen en om zijn bijstandsuitkering over de periode van 1 april 2004 tot 31 augustus 2004 in te trekken in stand blijven en heeft het bedrag van terugvordering gesteld op € 11.536,50. Voorts heeft de rechtbank het College veroordeeld een bedrag van € 2.000,-- aan appellant te betalen als schadevergoeding met wettelijke rente vanaf de dag van de openbaarmaking van haar uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat de terugvordering, in ieder geval tot dit bedrag, onbillijk is. Door de veel te late besluitvorming is hij lang in het ongewisse geweest omtrent zijn vermogenspositie en heeft hij veel te lang ingeteerd op zijn vermogen. Als het College reeds in 2004 juiste besluiten had genomen, had hij eerder bijstand kunnen aanvragen en zijn schulden, onder meer aan zijn ex-echtgenote, kunnen aflossen. Kwijtschelding van de vordering zou redelijk zijn. Appellant betoogt verder dat de rechtbank te weinig schadevergoeding heeft toegekend. Hij is niet verantwoordelijk voor de vertraging in de besluitvorming. Verder is zijn geldelijke en andere schade veel hoger dan het bedrag van de terugvordering als gevolg van het feit dat zijn bijstandsuitkering niet eerder is hervat.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is in hoger beroep slechts in geschil de uitoefening van de bevoegdheid tot terugvordering van bijstand en de hoogte van de vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4.2. Geen rechtsregel gebiedt een bijstandverlenend orgaan om bij beëindiging of intrekking van bijstand of bij de afwijzing van een aanvraag op de grond dat de betrokkene een vermogen heeft dat hoger is dan de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen, mee te delen op welk tijdstip die betrokkene door verantwoorde intering op dat vermogen weer in de situatie zal verkeren dat recht op bijstand bestaat. Immers, door vele omstandigheden en ontwikkelingen die zich voor kunnen doen na een dergelijk besluit, op welke dat orgaan geen zicht heeft, kan de termijn waarbinnen van een verantwoorde intering op dat vermogen sprake is, korter of langer worden. Het behoort daarom tot de verantwoordelijkheid van degene, die een beroep op bijstand doet of zal doen, om een juiste inschatting van zijn vermogen te maken, verantwoord daarop in te teren en tijdig een aanvraag om bijstand te doen. Dat wordt niet anders in een geval als dit, waarin op het moment van intrekking van bijstand wel vaststaat dat sprake is van een vermogen boven de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen, maar het bijstandverlenend orgaan de omvang van het vermogen boven de vermogensgrens nog niet kan vaststellen.

4.3. Hierop stuit het betoog van appellant af voor zover dat gebaseerd is op stelling dat het College tekort is geschoten door hem niet tijdig uitsluitsel te geven over de omvang van zijn vermogen op de datum van intrekking van bijstand. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad ook geen dringende reden gelegen op grond waarvan het College van terugvordering had moeten afzien.

4.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat bij de berekening van de redelijke termijn waarbinnen het College een beslissing op bezwaar had moeten nemen, de periode tussen 3 maart 2006 en 28 november 2008 voor de bepaling van de vertraging niet aan het College, maar aan appellant moet worden toegerekend. Immers, op eerst genoemde datum heeft het College appellant bericht welke stukken en gegevens nodig waren voor de vaststelling van het vermogen, terwijl appellant eerst op laatstgenoemde datum daaraan volledig had voldaan. Appellant heeft daarbij niet bestreden dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, hij die stukken, gelet op de datering daarvan, eerder had kunnen overleggen. Daarom faalt ook het betoog van appellant dat de rechtbank de vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn onjuist heeft vastgesteld.

4.5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2012.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J. de Jong.

HD