Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8641

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
10-1273 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Echter geen sprake van schending inlichtingenverplichting. Appellante heeft niet expliciet melding gemaakt van een gezamenlijke huishouding. Wel heeft zij tijdens het huisbezoek op 3 februari 2004 openheid van zaken gegeven over haar woon- en leefsituatie. Van belang is dat bij dat huisbezoek een situatie van medegebruik door appellante van de woning is aangetroffen die niet anders was dan die tijdens de daarop volgende huisbezoeken in mei 2006 en april 2007. Ook was toen al bekend welk bedrag appellante maandelijks aan woonkosten betaalde. Dat tijdens het huisbezoek door de betrokken ambtenaar niet expliciet is doorgevraagd over andere huishoudelijke aangelegenheden dient voor risico van het college te komen. Geen bevoegdheid tot intrekken en terugvorderen bijstand tot datum besluit.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Wet werk en bijstand 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/64
USZ 2012/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1273 WWB

10/1618 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 februari 2010, 09/735 (aangevallen uitspraak 1)

en

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 februari 2010, 09/779 (aangevallen uitspraak 2)

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

Datum uitspraak: 13 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.H. Sloof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. drs. H.M.A.W. Erven, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft in de gevoegde zaken plaatsgevonden op 14 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Sloof. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Erven, en vergezeld door N. van der Klei, tolk. Het college heeft zich, zoals bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante stond samen met haar drie kinderen vanaf 7 januari 2004 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op het adres [woonadres 1] te [woonplaats] (woonadres). Vanaf 23 juni 2003 stond appellant als hoofdbewoner op het woonadres ingeschreven. Appellante ontving vanaf 7 januari 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 10,5%. Alvorens bijstand werd toegekend heeft op 3 februari 2004 een huisbezoek plaatsgevonden.

1.2. Bij besluit van 12 mei 2006 heeft het college, op basis van onder meer een huisbezoek dat op 9 mei 2006 op het woonadres plaatsvond, de aanvraag van appellant om bijstand van 1 maart 2006 afgewezen op de grond dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren. Daaraan is toegevoegd dat appellant zich met appellante kan melden voor het doen van een aanvraag om bijstand naar de norm voor gehuwden. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

1.3. Vervolgens heeft het Team Preventie en Controle van Almere in september 2006 naar aanleiding van een anonieme tip een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Daarbij is onder meer dossier- en bestandonderzoek verricht. Voorts is op 17 april 2007 een huisbezoek afgelegd op het woonadres. Appellante heeft een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 11 mei 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 juli 2007, de bijstand van appellante met ingang van 17 april 2007 in te trekken op de grond dat appellanten samenwonen (lees: een gezamenlijke huishouding voeren), waarvan ten onrechte geen mededeling was gedaan. Bij uitspraak van de Raad van 16 maart 2010, LJN BL7989, is het besluit van 12 juli 2007 in stand gebleven.

1.4. Daarna heeft de sociale recherche een nader onderzoek uitgevoerd, in welk kader onder meer appellanten zijn verhoord. Van het onderzoek is een op 5 oktober 2008 gedateerd rapport opgesteld.

1.5. Op basis van de resultaten van de onderzoeken heeft het college bij besluit van 18 november 2008 de bijstand van appellante over de periode van 7 januari 2004 tot en met 16 april 2007 herzien (lees: ingetrokken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 42.870,78 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 18 november 2008 heeft het college datzelfde bedrag mede van appellant teruggevorderd.

1.6. Bij beslissing op bezwaar van 15 april 2009 (bestreden besluit 1) heeft het college het ten aanzien van appellante genomen besluit van 18 november 2008 gehandhaafd. Bij beslissing op bezwaar van eveneens 15 april 2009 (bestreden besluit 2) heeft het college het ten aanzien van appellant genomen besluit van 18 november 2008 gehandhaafd. Daartoe heeft het college, kort gezegd, het volgende overwogen. Appellanten voeren vanaf 7 januari 2004 een gezamenlijke huishouding, waarvan appellante ten onrechte geen mededeling heeft gedaan aan het college. De omstandigheid dat de aanvraag van appellant om bijstand van 1 maart 2006 is afgewezen rechtvaardigt niet het vertrouwen dat de terugvordering wordt beperkt tot de periode vanaf maart 2006. Voorts zijn geen dringende redenen aanwezig geacht om van terugvordering en medeterugvordering af te zien.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraken.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria.

4.2. Appellant heeft in beroep en in hoger beroep gesteld dat hij, in afwijking van zijn inschrijving in de GBA, zijn hoofdverblijf niet had op het woonadres. Hij verbleef veelvuldig bij zijn vriendin in Amsterdam. Die vriendin wilde daarover echter volgens hem geen verklaring afleggen. Nu appellant zijn stelling verder niet aannemelijk heeft gemaakt, moet er, gelet op de inschrijvingen in de GBA, van worden uitgegaan dat zowel appellante als appellant gedurende de hier van belang zijnde periode van 7 januari 2004 tot en met 16 april 2007 hun hoofdverblijf op het woonadres hadden.

4.3. Appellanten hebben voorts aangevoerd dat zij ieder een eigen huishouding voerden en dat geen sprake was van zorg voor elkaar. Een bedrag van € 300,-- per maand als woonvergoeding moet volgens appellanten gezien worden als een zakelijke vergoeding, omdat appellante slechts een deel van de woning alleen met haar kinderen gebruikt, terwijl de woonkamer, de keuken en de badkamer worden gedeeld. Appellant heeft voorts nog aangevoerd dat de zich in het dossier bevindende verklaring van hem van 18 september 2008 niet juist is, omdat hij een en ander zo niet heeft gezegd. Verder zijn appellanten van mening dat appellante de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Volgens appellante is het vertrouwensbeginsel geschonden doordat geen actie met betrekking tot de eerdere periode is ondernomen, na het huisbezoek dat op 9 mei 2006 plaatsvond in verband met de aanvraag om bijstand van appellant.

4.4. In zijn uitspraak van 16 maart 2010 heeft de Raad met betrekking tot de periode van 17 april 2007 tot en met 11 mei 2007 overwogen dat voldaan wordt aan het criterium van de wederzijdse zorg. In aansluiting hierop wordt thans hetzelfde geoordeeld met betrekking tot de daaraan voorafgaande, in deze gedingen aan de orde zijnde, periode van 7 januari 2004 tot en met 16 april 2007. Daartoe wordt in de eerste plaats verwezen naar rechtsoverweging 4.6 van de uitspraak van 16 maart 2010. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd. Appellanten hebben ter zitting verklaard dat hun omstandigheden vanaf 7 januari 2004 geen wijziging hebben ondergaan. De verklaring die appellant op

18 september 2008 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd laat eveneens zien dat sprake is van wederzijdse zorg. Appellant heeft onder meer verklaard dat appellante gebruik mocht maken van de gehele woning, dat zij voor hem kookte, dat hij hielp met de opvoeding van de kinderen en dat zij gebruik maakten van elkaars spullen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn verklaring door de sociale recherche niet juist is weergegeven. Van belang is dat appellant de verklaring heeft afgelegd met behulp van een tolk en dat die verklaring door hem en de tolk is ondertekend. Met betrekking tot de hoogte van de woonvergoeding is nog van belang dat appellante, door twee slaapkamers volledig te gebruiken en de rest van de woning mede te gebruiken, een dusdanig essentieel deel van de woning gebruikte, dat een bedrag van € 300,-- per maand niet berust op een zakelijke kostgangers- of huurrelatie. Daarbij is van belang dat appellant volgens zijn verklaring € 1.250,-- per maand aan hypotheekrente betaalde.

4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat appellanten gedurende de in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, zodat appellante niet als zelfstandig subject recht had op bijstand.

4.5.1. Het college heeft de bijstand van appellante over deze periode met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB ingetrokken op de grond dat appellante de voor haar geldende wettelijke inlichtingenverplichting niet is nagekomen, door ten onrechte geen melding te maken van de gezamenlijke huishouding. De Raad onderkent dat appellante niet expliciet melding heeft gemaakt van een gezamenlijke huishouding. Wel heeft zij tijdens het huisbezoek op 3 februari 2004 openheid van zaken gegeven over haar woon- en leefsituatie. Van belang is dat bij dat huisbezoek een situatie van medegebruik door appellante van de woning is aangetroffen die niet anders was dan die tijdens de daarop volgende huisbezoeken in mei 2006 en april 2007. Ook was toen al bekend welk bedrag appellante maandelijks aan woonkosten betaalde. Dat tijdens het huisbezoek door de betrokken ambtenaar niet expliciet is doorgevraagd over andere huishoudelijke aangelegenheden dient voor risico van het college te komen. De Raad is dan ook met appellanten van oordeel dat appellante met betrekking tot de periode van 7 januari 2004 tot en met 12 mei 2006 de voor haar geldende wettelijke inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Dit betekent dat het college niet bevoegd is over deze periode de bijstand van appellante in te trekken met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB en in aansluiting daarop terug te vorderen. Dat betekent tevens dat het college de bijstand over deze periode niet met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB mede van appellant kan terugvorderen.

4.6. Dat ligt anders vanaf 13 mei 2006, de eerste dag na verzending van het onder 1.2 genoemde besluit van 12 mei 2006. Vanaf dat moment moet appellante geacht worden ermee bekend te zijn dat het college de situatie op haar woonadres aanmerkte als een gezamenlijke huishouding, zodat zij vanaf dat moment bij het college had dienen te melden dat zij geen aanspraak meer maakte op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Dat heeft zij ten onrechte niet gedaan. Het college is dan ook bevoegd de bijstand van appellante over de periode van 13 mei 2006 tot en met 16 april 2007 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat appellante aan de omstandigheid dat het college de bijstand aan haar als alleenstaande ouder bleef doorbetalen niet de gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen dat zij daar ook recht op had. De terugvordering van de over deze periode gemaakte kosten van bijstand is niet zelfstandig bestreden. Het college is voorts bevoegd te achten de over deze periode gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen, aangezien appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden en appellant de persoon is met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Appellant heeft het gebruikmaken door het college van de bevoegdheid tot medeterugvordering niet bestreden.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak 1 moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaren en het bestreden besluit 1 vernietigen wegens strijd met artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 7 januari 2004 tot en met 12 mei 2006 en voorts op de terugvordering als geheel, nu het terugvorderingsbesluit ondeelbaar is. Voorts zal de Raad, zelf voorziende in de zaak, het besluit van 18 november 2008 herroepen voor zover dat betrekking heeft op de intrekking over de periode van 7 januari 2004 tot en met 12 mei 2006 en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van dat besluit. Daartoe wordt overwogen dat appellante er tot 13 mei 2006 op mocht vertrouwen dat haar bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder toekwam. Voorts wordt het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met betrekking tot de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak. Voor het toepassen van een zogeheten bestuurlijke lus bestaat geen aanleiding, nu het hier nog slechts gaat om een financiële uitwerking, waarover geen problemen zijn te verwachten.

4.8. Uit het vorenstaande volgt tevens dat de aangevallen uitspraak 2 moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaren, het bestreden besluit 2 wegens strijd met artikel 59, tweede lid, van de WWB in zijn geheel vernietigen, omdat dit besluit tot medeterugvordering ondeelbaar is, en het college opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar betreffende de medeterugvordering te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Voor het toepassen van een zogeheten bestuurlijke lus bestaat ook hier geen aanleiding, nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, waarover geen problemen zijn te verwachten.

5. Verder bestaat aanleiding voor een veroordeling van het college in de kosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep en in de kosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden voor appellante berekend op € 644,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.162,--. De kosten van appellant worden berekend op € 644,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, en op € 11,58 in beroep en € 19,38 in hoger beroep voor reiskosten, derhalve in totaal € 1.548,96.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

in zaak 10/1273 WWB:

- vernietigt de aangevallen uitspraak 1;

- verklaart het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 1, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking over de periode van 7 januari 2004 tot en met 12 mei 2006 en de terugvordering;

- herroept het besluit van 18 november 2008 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking over de periode van 7 januari 2004 tot en met 12 mei 2006 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van dat besluit;

- draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met betrekking tot de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante ten bedrage van € 2.162,--, waarvan € 644,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat het college aan appellante het door haar in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 152,-- vergoedt.

in zaak 10/1618 WWB:

- vernietigt de aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 2 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 2;

- draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met betrekking tot de medeterugvordering met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 1.548,96,

waarvan € 1.518,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) V.C. Hartkamp.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD