Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8630

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
09-5482 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor extra stookkosten. De beroepsgrond dat het college zijn besluitvorming niet heeft mogen baseren op het GGD-advies slaagt. Het medisch advies van de GGD is zodanig geformuleerd dat onduidelijk is op welke wijze de GGD-arts tot zijn advies is gekomen. Het bestreden besluit berust op een onzorgvuldige voorbereiding en een ontoereikende motivering. Het college krijgt de opdracht het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/58
RSV 2012/121

Uitspraak

09/5482 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2009, 08/5188 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 13 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Beekelaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Beekelaar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.C. van Helvoort.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 1 mei 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante heeft op 28 mei 2008 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor extra stookkosten in de periode van 10 augustus 2006 tot en met 17 september 2007 ten bedrage van € 392,77. Ter onderbouwing van de aanvraag heeft appellante een verklaring overgelegd van haar huisarts van 2 juni 2008. Deze heeft verklaard dat appellante arthrose heeft en dat zij bij koude meer klachten heeft.

1.2. Op 18 augustus 2008 heeft de GGD desgevraagd aan het college advies uitgebracht. Bij besluit van 12 september 2008 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen onder verwijzing naar het advies van de GGD.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 25 november 2008 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van 12 september 2008 gehandhaafd op de grond dat bij appellante weliswaar sprake is van beperkingen van het bewegingsapparaat maar dat de GGD geen oorzakelijk verband heeft kunnen vaststellen tussen de medische klachten van appellante en het hogere energieverbruik, zodat geen bijzondere bijstand is geïndiceerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat het advies van de GGD niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Zo blijkt uit het advies niet waarop de GGD-arts het standpunt baseert dat met betrekking tot de woning van appellante sprake zou zijn van onvoldoende warmte-isolatie. Bovendien is een GGD-arts niet, dan wel onvoldoende deskundig om hierover zelf uitspraken te doen. Appellante neemt voorts het standpunt in dat op grond van het gemeentelijk beleid bijzondere bijstand wordt verleend aan chronisch zieken en dat vaststaat dat appellante lijdt aan arthrose, een chronische ziekte/ aandoening. Het bestreden besluit is tevens onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd genomen omdat het college verzuimd heeft te beoordelen of appellante op grond van een sociale indicatie in aanmerking komt voor een vergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit vaste rechtspraak, waaronder CRvB 15 augustus 2006, LJN AY6531, volgt dat, indien voor het vaststellen van feiten mede gebruik moet worden gemaakt van deskundigheid waarover het bestuursorgaan niet zelf beschikt, gebruik kan worden gemaakt van advisering door daartoe door het bestuursorgaan in te schakelen deskundige. Het ligt dan echter op de weg van het bestuursorgaan dat van zodanige adviezen gebruikt maakt, zich ervan te vergewissen dat die adviezen voldoen aan de eisen die uit een oogpunt van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf moeten worden gesteld. Om die reden kan van een deugdelijke advisering die het bestuursorgaan de mogelijkheid biedt daarop af te gaan slechts sprake zijn, indien uit die adviezen ten minste blijkt op basis van welke gegevens deze tot stand zijn gekomen en welke procedure bij het tot stand komen van die adviezen is gevolgd.

4.2. De beroepsgrond dat het college zijn besluitvorming niet heeft mogen baseren op het GGD-advies van 18 augustus 2008 slaagt. Het medisch advies van de GGD is zodanig geformuleerd dat onduidelijk is op welke wijze de GGD-arts tot zijn advies is gekomen. Zo vermeldt het advies niet wat tijdens het gesprek met appellante op 21 juli 2008 naar voren is gekomen. In feite wordt in het advies volstaan met het vermelden van conclusies zonder dat die zijn gemotiveerd. Gelet hierop heeft het college zich niet ervan kunnen vergewissen dat het door de GGD verrichte onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en heeft het evenmin kunnen nagaan of uit de onderzoeksbevindingen de juiste conclusies zijn getrokken. Dit brengt mee dat het bestreden besluit berust op een onzorgvuldige voorbereiding en een ontoereikende motivering.

4.3. Het hoger beroep slaagt dus en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep gegrond worden verklaard en zal het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd.

4.4. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst moet worden gegeven. In dit geval bestaat geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten en kan evenmin zelf in de zaak worden voorzien. Het college wordt daarom opgedragen om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van deze uitspraak.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 25 november 2008 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en R.H.M. Roelofs en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD