Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8546

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2012
Datum publicatie
12-03-2012
Zaaknummer
10-5953 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wet WIA-uitkering. Er is geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de rug- en pijnklachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen, zoals neergelegd in de FML, voor onjuist te houden. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de functies die aan de schatting ten grondslag liggen in medisch opzicht geschikt voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5953 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 september 2010, 09/8054 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. ten Broek, werkzaam bij Abvakabo FNV, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. L.M. Hoogeveen, kantoorgenoot van mr. Ten Broek. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. K.M. Schuijt.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op 2 april 2007 is appellante wegens klachten van een cauda-syndroom op basis van een hernia uitgevallen voor haar in een omvang van 32,28 uur per week verrichte werkzaamheden als persoonlijk begeleidster voor jongeren met gedragsproblematiek. Appellante heeft tweemaal een operatieve ingreep ondergaan vanwege een (recidive) hernia. Na haar uitval heeft zij hervat in aangepaste eigen werkzaamheden in een urenomvang van maximaal 18 uur (drie dagen van

6 uur) per week. In deze functie heeft zij niet te maken met gedragsproblematiek, wat meebrengt dat zij niet fysiek hoeft in te grijpen en geen slaapdiensten meer hoeft te draaien.

1.2. Naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante op 14 april 2009 medisch onderzocht door de arts N.L. van Luntesburg, die heeft geconstateerd dat appellante is aangewezen op rugsparend werk. Er is geen reden voor een medische urenbeperking indien rekening gehouden wordt met haar fysieke beperkingen zoals vastgesteld in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

24 april 2009. Hiervan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige H. Vink, met gebruikmaking van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op 25,99%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 15 juni 2009 aan appellante meegedeeld dat voor haar met ingang van 14 mei 2009 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.3. Bij besluit van 6 oktober 2009 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van

15 juni 2009, onder verwijzing naar rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten aanwezig geacht voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op onzorgvuldige wijze is verricht en ziet geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts zijn conclusies deugdelijk heeft gemotiveerd, informatie heeft opgevraagd bij behandelend neuroloog A.L. Strikwerda en deze heeft meegewogen bij het vaststellen van de arbeidsbeperkingen zoals neergelegd in de FML van 24 april 2009. Blijkens de rapportage van 28 september 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts zich met het standpunt van de verzekeringsarts kunnen verenigen. Aanknopingspunten voor een ander oordeel achtte de rechtbank ook niet gelegen in de door appellante in beroep overgelegde rapportage van de Maatschap Anesthesiologie en Pijnbestrijding van 12 juli 2010. Concluderend heeft de rechtbank zich kunnen stellen achter het medisch oordeel van de verzekeringsartsen, inbegrepen de afwezigheid van een medische noodzaak voor een urenbeperking.

2.2. Ook heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

3. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat de rechtbank heeft miskend dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen waarbij zij met name er op heeft gewezen dat haar klachten het Uwv aanleiding hadden moeten geven vanuit zowel energetisch als preventief oogpunt voor haar een urenbeperking tot 18 uur per week vast te stellen. Op de twee dagen dat zij niet werkt, moet appellante grotendeels rusten dan wel moet zij, om haar medische conditie zoveel mogelijk te optimaliseren, bij de sportschool haar fysiotherapeutische oefeningen doen. Van het verrichten van enige activiteiten in het huishouden op deze twee dagen is volgens appellante, anders dan waarvan de verzekeringsartsen zijn uit gegaan bij hun conclusie dat appellante in tijd volledig belastbaar is te achten, dan ook geen sprake. Ter ondersteuning van haar standpunt dat een medische urenbeperking gerechtvaardigd is, wijst appellante nogmaals op een onderzoeksverslag van verzekeringsarts H.J. Does van 27 januari 2009 en een brief van 30 juni 2009 van behandelend neuroloog Strikwerda.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad ziet, evenals de rechtbank, geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de rug- en pijnklachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen, zoals neergelegd in de FML van

24 april 2009, voor onjuist te houden. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden deze artsen naast de bevindingen uit de spreekuurcontacten van de bedrijfsarts, de beschikking over het onderzoeksverslag van 27 januari 2009 van verzekeringsarts Does alsmede de informatie van de behandelend sector, waaronder met name de brieven van behandelend neuroloog Strikwerda. Uit de rapporten van de artsen van het Uwv blijkt dat alle uit onderzoek verkregen informatie door hen is meegewogen en bij de totstandkoming van de eerder genoemde FML heeft geleid tot het aannemen van beperkingen in verband met appellantes rugpijnklachten. Voorts is de Raad van oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende gemotiveerd hebben aangegeven waarom bij appellante geen noodzaak aanwezig is daarnaast nog een urenbeperking aan te nemen en dat zij fulltime belastbaar is mits door haar bij het verrichten van arbeid de in de FML vastgelegde beperkingen in acht worden genomen.

Aan het rapport van 27 januari 2009 van verzekeringsarts Does kan in het kader van onderhavige WIA-beoordeling niet die betekenis worden toegekend die appellante daaraan toegekend wenst te zien. Dit rapport betreft een deskundigenoordeel en is opgemaakt op verzoek van appellante ter zake van een geschil met haar werkgever over het aantal uit te breiden uren naar vier dagen van 6 uur in haar aangepaste eigen werkzaamheden. De Raad wijst er op dat dit een ander beoordelingskader betreft dan het onderhavige beoordelingskader, waarin het immers gaat om andere, theoretische loondienstfuncties waarvan de belasting volgens het Uwv binnen de op grond van de FML voor appellante toegestane belastbaarheid blijft. De Raad merkt in dit verband nog op dat appellante vanwege de bij haar bekende rugklachten ongeschikt is bevonden voor haar eigen werkzaamheden.

Ook in de brief van 30 juni 2009 van behandelend neuroloog Strikwerda ziet de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel, nu die brief ter zake van de voor appellante mogelijke arbeidsomvang geen gemotiveerd standpunt bevat. Gelet op het vorenstaande ziet de Raad, zoals namens appellante verzocht, geen aanleiding voor het raadplegen van een deskundige.

4.2. Uitgaande van de juistheid van de FML is de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is met de rapporten van 20 april 2010 en 26 april 2011 van bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen voldoende toegelicht.

4.3. Uit het onder 4.1 en 4.2 overwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak derhalve dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) G.J. van Gendt.

NW