Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8370

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2012
Datum publicatie
12-03-2012
Zaaknummer
11-770 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Zorgvuldig medisch onderzoek. Niet is gebleken dat twijfel gerechtvaardigd is aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts over de belastbaarheid van appellante op de datum in geding. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen blijft de belasting van de geduide functies binnen de belastbaarheid van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/770 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2010, 09/4675 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en zijn stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2012. Appellante is verschenen met bijstand van

mr. M. Verbraaken-Vooys, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor feiten waarvan de Raad uitgaat verwijst hij naar rubriek 1.1 van de aangevallen uitspraak. Hier volstaat hij met het volgende.

1.2. Bij besluit van 15 april 2009 heeft het Uwv per 17 december 2008 de uitkering van appellante krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), te weten een vervolguitkering in verband met de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA-uitkering), gewijzigd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 2 september 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 april 2009 ongegrond verklaard. Beide besluiten zijn gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 2 september 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, de beroepsgronden beoordelend, de verzekeringsgeneeskundige besluitvorming getoetst die aan het besluit van

2 september 2009 ten grondslag ligt. Zij is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat voldoende rekening is gehouden met de informatie van de behandelend sector. Zij heeft vastgesteld dat de bezwaarverzekeringsarts meerdere beperkingen voor het verrichten van arbeid bij appellante heeft aangenomen vanwege haar klachten. Een aantal klachten acht de bezwaarverzekeringsarts niet medisch objectiveerbaar en deze hebben niet geleid tot het aannemen van beperkingen. De gedingstukken van medische aard wijzen naar het oordeel van de rechtbank niet op andere dan wel op meer beperkingen dan de bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld.

3. In hoger beroep heeft appellante gelijke gronden aangevoerd als zij in eerste aanleg heeft gedaan. Zij heeft, onder verwijzing naar van haar zijde in het geding gebrachte medische stukken, aangevoerd dat het Uwv de sinds begin 2008 toegenomen medische klachten onvoldoende heeft onderkend. Appellante heeft gewezen op gegevens afkomstig van huisartsen J. Clemens en E. Reynders, de radiologen B.S.M. ter Rahe en M.A. Barree, de internist-reumatoloog P.P. Tak en vooral de internist K. De Meirleir. Haar klachten betreffen de rechterknie, de toeneming van de chronische vermoeidheid en de kalkvorming aan de billen en heupen, handen en tenen beiderzijds. Appellante heeft ook gesteld dat zij toenemende gewrichtsklachten heeft hetgeen blijkt uit de gegevens naar aanleiding van het radiodiagnostisch onderzoek van 9 juli 2009. Appellante heeft verder aangevoerd dat zij hoofdpijnklachten heeft en last heeft van misselijkheid als zij zich enigszins heeft ingespannen. Verder is appellante van mening dat zij energetisch meer beperkt is en dat er een hogere urenbeperking moet worden aangenomen. Voorts heeft appellante bestreden dat functies die zijn geselecteerd ter bepaling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid medisch geschikt zijn voor haar.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling van de aangevallen uitspraak.

4.1. De Raad onderschrijft de in 2 samengevatte overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de zorgvuldigheid van het in geding zijnde medische onderzoek en de conclusie die daaraan is verbonden door de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de voor appellante geldende beperkingen voor het verrichten van arbeid.

4.2. De Raad benadrukt dat 17 december 2008 de datum is die in dit geding van belang is. De Raad is niet gebleken dat twijfel gerechtvaardigd is aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts over de belastbaarheid van appellante op die datum. De nadruk die appellante ter zitting heeft gelegd op de bevindingen van internist De Meirleir heeft de Raad er niet toe gebracht aan diens rapporten van 30 maart 2005 en 8 november 2011 de betekenis toe te kennen die appellante daaraan gehecht wenst te zien. In het laatst vermelde rapport komt deze medicus tot de conclusie dat de klachten van appellante beantwoorden aan de criteria voor het aannemen van ME (WHO-ICD10-G 93.3). Appellante vertoont voedingsintoleranties en fructose malabsorptie, waarschijnlijk een intestinale dysbiose en een chronisch ontregeld immuunsysteem. Haar vitamine D status is abnormaal. Er zijn tekenen van auto-immuniteit, dit wordt nader onderzocht. De Raad onderkent het door appellante ter zitting benadrukte belang van dit rapport voor de voor haar door deze medicus kennelijk van belang geachte therapie. De Raad kan en zal zich voorts niet uitlaten over het medisch meningsverschil daaromtrent dat blijkt uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts 11 januari 2012. De Raad beperkt zich te dien aanzien tot het oordeel dat ook het laatstgenoemde rapport van De Meirleir geen aanwijzing bevat voor de juistheid van appellantes stelling dat de bij haar bestaande beperkingen op 17 december 2008 van de zijde van het Uwv zijn onderschat.

4.3. Ook de klachten van appellante over de geselecteerde functies treffen geen doel. Uitgaande van de hiervoor vermelde juistheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen, stelt de Raad vast dat de belasting van die functies blijft binnen de belastbaarheid van appellante.

4.4. Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er is geen grond een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak,

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.J. Penning.

KR