Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8358

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2012
Datum publicatie
12-03-2012
Zaaknummer
11-1460 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit. In de stukken die appellante heeft ingezonden in de fase voorafgaand aan het bestreden besluit zijn geen als nieuw aan te merken feiten of omstandigheden aangetroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1460 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 20 januari 2011, 10/300 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Ph.C. Kleyn van Willigen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. C.C.M. Peper, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de artikelen van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2.1. Appellante, geboren [in] 1989, heeft op 4 maart 2008 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Bij besluit van 10 juli 2008 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder is dan 25%. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante, rekening houdend met haar medische beperkingen, vanaf haar achttiende jaar in staat wordt geacht passende werkzaamheden te verrichten. Appellante heeft in dit besluit berust. Appellante heeft op 5 december 2009 wederom een Wajong-uitkering aangevraagd. Bij besluit van

22 december 2009 heeft het Uwv appellante meegedeeld niet terug te komen van het besluit van 10 juli 2008, omdat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat de eerder genomen beslissing onjuist zou zijn.

2.2. Ter ondersteuning van haar herhaalde aanvraag heeft appellante in de bezwaarfase nadere stukken overgelegd, van onder andere haar gynaecoloog dr. R.C.W. Vermeulen van 9 november 2009 en 4 januari 2010, verbonden aan het CVS/ME centrum Amsterdam. Bij besluit van 18 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante, na beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter, ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de nu gestelde diagnose Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS) geen ander licht werpt op de klachten die aan de eerste aanvraag ten grondslag lagen en naar aanleiding waarvan bij appellante beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn aangenomen.

4. In hoger beroep heeft appellante - kort samengevat - aangevoerd dat de diagnose CVS een nieuw feit is. Middels de overgelegde medische informatie van dr. Vermeulen wordt naar het oordeel van appellante wel degelijk een ander licht geworpen op haar klachten en hadden deze stukken moeten leiden tot het opnemen van meer beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst, met name op het fysieke vlak. Voorts is appellante van oordeel dat de in beroep overgelegde medische stukken een nadere onderbouwing zijn van al hetgeen zij reeds in bezwaar heeft aangevoerd en deze stukken in de beoordeling van haar (hoger) beroep kunnen worden betrokken. Tot slot is appellante van oordeel dat de rechtbank, ondanks dat deze haar beroep ongegrond heeft verklaard, het Uwv ten onrechte niet heeft veroordeeld tot vergoeding van een tweetal declaraties. Zij verwijst hiertoe naar een uitspraak van de Raad van 29 april 2011, LJN BQ3323.

5. De Raad overweegt, ter beoordeling van de aangevallen uitspraak, als volgt.

5.1. Het besluit van 10 juli 2008 is in rechte onaantastbaar geworden.

5.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in een dergelijk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

5.3. De van de zijde van appellante in beroep ingezonden stukken dateren van na het bestreden besluit. Het Uwv heeft deze dus bij de heroverweging niet kunnen betrekken. Reeds om die reden moeten die stukken bij de beoordeling van dat besluit buiten beschouwing blijven.

5.4. In de stukken die appellante heeft ingezonden in de fase voorafgaand aan het bestreden besluit, heeft de Raad, evenmin als de rechtbank, geen als nieuw aan te merken feiten of omstandigheden aangetroffen. Uit de stukken komt weliswaar naar voren dat bij appellante sprake is van chronische vermoeidheid, inspanningstolerantie, gewrichtsklachten en rugpijn, maar de stukken bevatten geen gegevens ten aanzien van de medische situatie van appellante ten tijde van de datum in geding, te weten 1 juni 2007. Uit het onderzoek van de beoordelende verzekeringsarts in 2008 blijkt dat de toen aanwezige lichamelijke klachten zoals prikkelbare darm en last van de oren, waarvoor geen aantoonbare afwijkingen zijn gevonden en die volgens de huisarts stressgerelateerd zijn, meegewogen zijn bij het vaststellen van de belastbaarheid. Niet blijkt dat de klachten van chronische vermoeidheid en de pijnklachten van de spieren en/of gewrichten, toen aanwezig waren.

5.5. De beroepsgrond van appellante dat de rechtbank het Uwv ten onrechte niet heeft veroordeeld tot vergoeding van een tweetal declaraties van door appellante geraadpleegde medici treft geen doel, nu de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard en er ook overigens geen gronden waren voor het toekennen van een vergoeding van proceskosten. De rechtbank heeft dan ook terecht de declaraties van de door appellante ingeschakelde medici niet geacht voor vergoeding in aanmerking te komen.

5.6. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.J. Penning.

JL