Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8343

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2012
Datum publicatie
12-03-2012
Zaaknummer
11-4945 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning aanvraag om een toeslag ingevolge de Toeslagenwet. Ingangsdatum. Appellante ontving in de in geding zijnde periode geen kinderbijslag en daarom voldoet zij niet aan de voorwaarde voor het recht op toeslag. Evenmin heeft appellante over deze periode recht op een toeslag voor een ongehuwde alleenstaande omdat de hoogte van haar Wajong-uitkering gelijk is aan het voor appellante relevante sociaal minimum van 70% van het minimumloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4945 TW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2011, 10/371(aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2012.

Appellante is verschenen, bijgestaan door haar curator [naam curator]. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op 27 oktober 2006 heeft appellante het Uwv verzocht om, in aanvulling op haar Wajong-uitkering, in aanmerking te komen voor een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW). Bij besluit van 14 november 2006 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen.

1.2. Op 13 juli 2009 heeft appellante een nieuwe aanvraag om een toeslag ingevolge de TW ingediend. Bij besluit van

17 september 2009 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 13 juli 2009 een toeslag ingevolge de TW toegekend. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de toeslag. Bij besluit van 3 december 2009 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 september 2009 gegrond verklaard, in die zin dat de toeslag niet per 13 juli 2009 maar per 13 juli 2008 wordt toegekend.

2.1. Hangende het beroep bij de rechtbank heeft het Uwv een nieuw beslissing op bezwaar van 30 november 2010 (bestreden besluit II) ingezonden, waarbij het bezwaar opnieuw gegrond is verklaard voor zover het de ingangsdatum van de toeslag betreft. De datum waarop de toeslag ingaat, is gewijzigd naar 1 januari 2006.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond verklaard.

3. Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Evenals in beroep stelt appellante zich op het standpunt dat zij vanaf 2002 recht heeft op een toeslag. Zij betaalt al sinds 2002 een onderhoudsbijdrage voor haar zoon [naam zoon].

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling van de aangevallen uitspraak.

4.2. In geschil is of appellante in de periode 1 januari 2002 tot 1 januari 2006 aanspraak kon doen gelden op een uitkering op grond van de TW.

4.3. Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de TW, heeft recht op een toeslag een ongehuwde, die een kind heeft jonger dan 18 jaar, dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort en voor wie hij op grond van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag ontvangt dan wel zal ontvangen.

4.4. Ingevolge artikel 2, derde lid van de TW, heeft, behoudens het vierde lid, recht op een toeslag een ongehuwde die per dag een inkomen heeft dat lager is dan 70% van het minimumloon.

4.5. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, zie de uitspraak van 15 juni 2001, LJN AL3565, duidt de zinsnede ‘kinderbijslag ontvangt dan wel zal ontvangen’ in artikel 2, tweede lid, sub b, van de TW erop dat vast moet staan dat aanspraak op kinderbijslag bestaat, hetgeen in beginsel slechts het geval is indien door het bevoegde orgaan aan de betrokkene kinderbijslag is toegekend.

4.6. Nu vast staat dat appellante in de periode 1 januari 2002 tot 1 januari 2006, zoals blijkt uit de brief van de Sociale Verzekeringsbank van 24 augustus 2009, geen kinderbijslag heeft ontvangen, voldoet zij niet aan de in artikel 2, tweede lid, sub b, van de TW genoemde voorwaarde voor het recht op toeslag. Evenmin heeft appellante over deze periode recht op een toeslag voor een ongehuwde alleenstaande ingevolge artikel 2, derde lid, omdat de hoogte van haar Wajong-uitkering gelijk is aan het voor appellante relevante sociaal minimum van 70% van het minimumloon.

5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.J. Penning.

JL