Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8337

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2012
Datum publicatie
12-03-2012
Zaaknummer
10-6836 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging loongerelateerde WGA-uitkering. Vervolguitkering van 5 september 2009 tot en met 8 maart 2010. Het verbod van reformatio in peius is niet geschonden door in het bestreden besluit per 8 maart 2010 de uitkering in te trekken. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om het ervoor te houden dat het medische onderzoek naar de psychische beperkingen van appellant niet op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het standpunt van appellant dat de bezwaarverzekeringsarts de behandelend sector had moeten raadplegen slaagt niet. Voor het inschakelen van een psychiatrisch deskundige bestaat geen aanleiding. Geen aanknopingspunten voor het standpunt dat appellant de geduide functies niet zou kunnen vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6836 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 november 2010, 10/863 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Vogel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2011.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vogel.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant ontving per 5 maart 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering.

Hij werd voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt geacht. Deze arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen staat in rechte vast. De Raad verwijst naar zijn tussen partijen gewezen uitspraak van

7 mei 2010, LJN BM3879.

2.1. Bij besluit van 7 juli 2009 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de loongerelateerde WGA-uitkering per

5 september 2009 eindigt en dat appellant vanaf die datum in aanmerking komt voor een vervolguitkering.

2.2. Nadat appellant bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 7 juli 2009 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld. Bij brief van 7 januari 2010 en de daarbij toegezonden rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op minder dan 35%.

2.3. Bij het (bestreden) besluit van 3 februari 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 juli 2009 ongegrond verklaard en de vervolguitkering per 8 maart 2010 ingetrokken.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat, anders dan appellant heeft gesteld, door in het bestreden besluit per 8 maart 2010 de uitkering in te trekken, het verbod van reformatio in peius niet is geschonden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

15 februari 2008, LJN BC4938, heeft de rechtbank in dit verband overwogen dat de intrekking van de uitkering met ingang van een toekomstige datum is geëffectueerd.

Daar komt bij dat het Uwv appellant in staat heeft gesteld om een zienswijze in te dienen, van welke mogelijkheid appellant geen gebruik heeft gemaakt.

3.2. Daarnaast heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Allereerst kan de rechtbank appellant niet volgen in het standpunt dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende is onderlegd om de diagnose van een deskundige, zoals een psycholoog of een psychiater, te weerleggen. Het is de specifieke deskundigheid van de (bezwaar)verzekeringsarts om op basis van de medisch objectiveerbare klachten de beperkingen van appellant inzake het verrichten van arbeid vast te stellen. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant op het spreekuur onderzocht en heeft alle relevante medische informatie, waaronder ook de brief van 3 december 2009 van psychiater Bruna (en sociaal psychiatrisch verpleegkundige M. van den Heuvel), bij zijn beoordeling betrokken. De rechtbank verwijst naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 15 december 2009 en 21 april 2010. Hoewel Bruna tot een andere conclusie (depressie matig ernstig) komt, staan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts (lichte depressie) niet lijnrecht tegenover de van de psychiater verkregen informatie. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij toegelicht dat de behandeling van appellant en de GAF-score van 60 wijzen op een lichte depressie.

De rechtbank ziet, gezien het door appellant gestelde, onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts niet zorgvuldig is geweest en ziet geen aanleiding alsnog een nader medisch onderzoek te laten verrichten door een als deskundige te benoemen psychiater.

3.3. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de rechtbank van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 6 januari 2010 uitvoerig en toereikend heeft gemotiveerd dat de geduide functies de belastbaarheid van appellant, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), niet overschrijden. Met betrekking tot het opleidingsniveau heeft de rechtbank evenals het Uwv verwezen naar de uitspraak van de Raad van

7 mei 2010, LJN BM3879, uit welke uitspraak kan worden afgeleid dat het Uwv terecht opleidingsniveau 2 heeft vastgesteld. Ook in de onderhavige procedure heeft appellant volgens de rechtbank geen gegevens naar voren gebracht waaruit blijkt dat het opleidingsniveau onjuist is vastgesteld.

4. Appellant heeft in hoger beroep de gronden herhaald die hij heeft aangevoerd in bezwaar en beroep. Appellant handhaaft zijn opvatting dat het verbod van reformatio in peius is geschonden. Voorts benadrukt hij dat er is sprake van een discrepantie tussen de bevindingen van de behandelend sector en die van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de psychische klachten. De (bezwaar)verzekeringsarts is volgens appellant niet opgeleid om hier een oordeel over te geven. Ten onrechte is volgens appellant voorbij gegaan aan de door de behandelend sector gediagnosticeerde chronische vermoeidheid, slapeloosheid en de matig tot ernstige depressie. Appellant verzoekt de Raad om Bruna alsnog om een reactie te vragen of om een deskundige te benoemen. Ten aanzien van het opleidingsniveau herhaalt hij dat dit opleidingsniveau 1 moet zijn omdat hij het basisonderwijs niet heeft afgerond en dit onderwijs vooral was gericht op koranonderwijs. Appellant verwijst naar de uitspraken van de Raad van 21 april 2010, LJN BM1947, en van 14 mei 2004, LJN AP1691.

5.1. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.

De Raad kan zich volledig vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld. Dat geldt zowel voor de stelling van appellant dat het verbod op het beginsel van reformatio in peius is geschonden, als voor de gronden die appellant tegen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft aangevoerd. Met betrekking tot het laatste overweegt de Raad nog dat hij evenals de rechtbank van oordeel is dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om het ervoor te houden dat het medische onderzoek naar de psychische beperkingen van appellant niet op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat een (bezwaar)verzekeringsarts onvoldoende is opgeleid om de psychische belastbaarheid vast te stellen. De Raad merkt in navolging van de rechtbank op dat het juist de specifieke taak en deskundigheid van de (bezwaar)verzekeringsarts is om medische gegevens te wegen en te vertalen in medische beperkingen. Dat geldt zowel voor somatische beperkingen als voor psychische beperkingen.

5.2. Ook het standpunt van appellant dat de bezwaarverzekeringsarts de behandelend sector had moeten raadplegen slaagt niet. Raadpleging van de behandelend sector is aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, welke een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat de behandelende sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over diens beperkingen. Van geen van beide situaties is sprake. Volgens de rapportage van Bruna bestaat de behandeling uit ondersteunende en structurerende gesprekken en deelname aan de Marokkaanse mannengroep (sinds november 2007) en is de behandeling voornamelijk gericht op activering en integratie burgerschap. De bezwaarverzekeringsarts heeft informatie opgevraagd bij Bruna en deze heeft geen beredeneerd afwijkend standpunt over de beperkingen van appellant. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting merkt de Raad nog op dat, anders dan appellant stelt, Bruna in zijn rapportage niet vermeldt dat er sprake is van een ‘matig tot ernstige depressie’, maar van een matig ernstige depressie, hetgeen niet hetzelfde is. De Raad verwijst in dit verband voorts naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel van 17 januari 2011. In deze rapportage wordt gemotiveerd aangegeven dat de bevindingen van Bruna overeenkomen met de onderzoeksbevindingen van de bezwaarverzekeringsarts en passen bij het beeld van een lichte depressie. In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe medisch gegevens overgelegd die aanleiding geven om dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om, zoals appellant heeft verzocht, Bruna om een reactie te vragen op de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Voor het inschakelen van een psychiatrisch deskundige ziet de Raad onder deze omstandigheden evenmin aanleiding.

5.3. Er zijn door de bezwaarverzekeringsarts beperkingen ten aanzien van reiken, het bovenhands werken en tillen en dragen vastgesteld in de FML van 16 december 2009.

De beperkingen betreffen de linker niet dominante arm. Voor de overige klachten zijn geen medisch objectiveerbare gegevens naar voren gebracht. Er zijn dan ook geen aanwijzingen om in de FML met betrekking tot deze aspecten de vastgestelde belastbaarheid onjuist te achten.

5.4. Ook ten aanzien van het opleidingsniveau kan de Raad zich vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld. De Raad voegt daaraan nog toe dat appellant ook in hoger beroep geen gegevens heeft overgelegd die aanleiding geven tot een ander oordeel. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies betreffen eenvoudig productiewerk en blijven binnen de grenzen van het opleidingsniveau van appellant.

Ook bestaan er gelet op de beperkte eisen die dienaangaande in de functies worden gesteld, geen aanknopingspunten om het ervoor te houden dat appellant die functies niet zou kunnen vervullen in verband met zijn geringe beheersing van de Nederlandse taal.

De Raad heeft hierbij nog in aanmerking genomen dat appellant van 2000 tot en met 2005 in Nederland heeft gewerkt.

5.5. Uit het overwogene onder 5.1 tot en met 5.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) K.E. Haan.

TM