Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8332

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2012
Datum publicatie
12-03-2012
Zaaknummer
11-150 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAZ-uitkering. Wegens inkomsten uit arbeid wordt de uitkering over 2005 uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% en over 2006 naar de klasse minder dan 25%. Bij het beantwoorden van de vraag of inkomsten van een zelfstandige als inkomsten uit arbeid moeten worden aangemerkt, komt in beginsel doorslaggevende betekenis toe aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte - en door de fiscus gehonoreerde - keuze. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat de inkomsten van appellant niet als inkomsten uit arbeid aangemerkt zouden moeten worden. Door appellant zijn geen controleerbare gegevens aangedragen die zijn stelling dat de winstaandelen in 2005 en 2006 voor een belangrijk deel als een solidariteitsbijdrage van de medevennoten aangemerkt moeten worden aannemelijk maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/150 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 2 december 2010, 09/2265 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn gemachtigde, J. van der Schinkel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2012. Namens appellant is verschenen [v/d S.]. Het Uwv heeft zich, met kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is sinds 1 januari 1997 als vennoot werkzaam in de [vennootschap], gevestigd te [vestigingsplaats].

1.2. In november 2005 heeft appellant een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ingediend bij het Uwv. Daarbij heeft appellant medegedeeld dat hij sinds 2 april 2004 arbeidsongeschikt is in verband met rugklachten en dat hij sindsdien wisselend, afhankelijk van zijn klachten, nog enige werkzaamheden heeft verricht.

1.3. Bij besluit van 24 februari 2009 heeft het Uwv met ingang van 1 april 2005 aan appellant een uitkering ingevolge de WAZ toegekend, gebaseerd op de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In verband met inkomsten van appellant uit vennootschap [naam vennootschap] heeft het Uwv voorts beslist dat deze uitkering over 2005 wordt betaald naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% en dat de uitkering over 2006 niet wordt betaald.

1.4. Aan het besluit van 24 februari 2009 ligt een arbeidskundige beoordeling ten grondslag volgens welke de feitelijke inkomsten van appellant uit de vennootschap [naam vennootschap] leiden tot een inkomensverlies ten opzichte van het zogenoemde maatmaninkomen over 2005 van ongeveer 39% en over 2006 van ongeveer 8%. Op grond van deze berekening is besloten de WAZ-uitkering over 2005 uit te betalen naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% en over 2006 naar de klasse minder dan 25%.

1.5. Naar aanleiding van het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv een nader onderzoek laten verrichten door een bezwaararbeidsdeskundige, die in zijn rapportage van 22 juli 2009 het maatmaninkomen van appellant op een hoger bedrag heeft vastgesteld. Na kennisneming van de aangiftes voor de inkomstenbelasting over 2005 en 2006 van appellant heeft de bezwaararbeidsdeskundige de inkomsten van appellant uit vennootschap [naam vennootschap] over 2005 en 2006 nader vastgesteld. Op basis van deze gegevens is de bezwaararbeidsdeskundige tot de slotsom gekomen dat sprake was van een inkomensverlies van ongeveer 30% over 2005 en van ongeveer 0% over 2006. Onder verwijzing naar deze rapportage heeft het Uwv bij besluit van 29 juli 2009 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, wegens schending van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, en heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad, overwogen dat bij de vaststelling van inkomsten uit arbeid van een zelfstandige in beginsel doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan de door de betrokkene in het kader van de fiscale wetgeving gemaakte en door de fiscus gehonoreerde keuzes. Van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel kunnen rechtvaardigen was volgens de rechtbank geen sprake. Zij heeft daarbij van belang geacht dat appellant heeft verklaard dat hij wel - enige - werkzaamheden heeft verricht in 2005 en 2006 en dat op de aangiftes inkomstenbelasting aanspraak is gemaakt op zelfstandigenaftrek. Ten slotte heeft de rechtbank de bepaling in de vennootschapsakte over arbeidsongeschiktheid niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld.

3. Namens appellant is in hoger beroep kort samengevat aangevoerd dat er wel sprake is van bijzondere omstandigheden die het afwijken van de fiscale keuze rechtvaardigen. Het winstaandeel van appellant moet volgens hem gesplitst worden in een deel als vergoeding voor verrichte arbeid en in een deel dat op grond van de vennootschapsovereenkomst als solidariteitsbijdrage van de medevennoten moet worden beschouwd. Ter ondersteuning van die stelling is een berekening overgelegd. Ten aanzien van de toegepaste zelfstandigenaftrek is opgemerkt dat de boekhouder daarmee over 2005 een fout heeft gemaakt, omdat appellant in dat jaar niet ten minste 1225 uur heeft gewerkt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is in geschil of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat het Uwv met toepassing van artikel 58 van de WAZ aan appellant over het jaar 2005 de WAZ-uitkering heeft uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% en over het jaar 2006 naar de klasse van minder dan 25%. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of het Uwv de inkomsten uit arbeid van appellant in die jaren juist heeft vastgesteld.

4.2. De Raad stelt vast dat appellant in zijn aangiftes inkomstenbelasting over de jaren 2005 en 2006 als winst uit vennootschap [naam vennootschap] respectievelijk € 29.955,- en € 43.473,- heeft opgegeven en dat in beide jaren de zelfstandigenaftrek in mindering is gebracht. Deze aangiftes zijn door de fiscus gehonoreerd. De bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv heeft de hiervoor genoemde bedragen aangemerkt als inkomsten uit arbeid, als bedoeld in artikel 58 van de WAZ, van appellant in die jaren.

4.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad komt bij het beantwoorden van de vraag of inkomsten van een zelfstandige als inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 58 van de WAZ moeten worden aangemerkt, in beginsel doorslaggevende betekenis toe aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte - en door de fiscus gehonoreerde - keuze. Deze hoofdregel lijdt slechts uitzondering indien aantoonbaar sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat de aan de fiscus gedane opgave niet tot uitgangspunt kan worden genomen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van

23 december 2005, LJN AU9534 en 1 december 2010, LJN BO6014).

4.4. De Raad stelt voorop dat op zich het verantwoorden van een winstaandeel als winst uit onderneming naar de fiscus toe de aanname rechtvaardigt dat er sprake is geweest van inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 58 van de WAZ. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat de inkomsten van appellant niet als inkomsten uit arbeid aangemerkt zouden moeten worden. Daarbij acht de Raad allereerst van belang dat appellant in 2005 en 2006, zij het in 2005 in beperkte mate, activiteiten heeft verricht ten behoeve van vennootschap [naam vennootschap]. De omvang van die activiteiten maakt voor de kwalificatie daarvan als arbeid niet uit. Appellant heeft aldus een bepaalde en voldoende concrete inbreng in de vennootschap [naam vennootschap] gehad gericht op het behalen van enig voordeel. Verder wijst ook het feit dat over de jaren 2005 en 2006 een zelfstandigenaftrek is toegepast, waarvoor vereist is dat ten minste 1225 uren per jaar als zelfstandige is gewerkt, erop dat appellant in beide jaren een substantieel aantal uren werkzaam is geweest. De stelling van appellant dat de zelfstandigenaftrek over 2005 berust op een fout van de boekhouder vermag de Raad niet tot een ander oordeel te brengen, nu niet is gebleken dat appellant deze - gestelde - fout heeft getracht te herstellen, bijvoorbeeld door een melding daarvan aan de fiscus.

4.5. De stelling van appellant dat de winstaandelen in 2005 en 2006 voor een belangrijk deel als een solidariteitsbijdrage van de medevennoten aangemerkt moeten worden onderschrijft de Raad niet. Door appellant zijn geen controleerbare gegevens aangedragen die zijn stelling aannemelijk maken. Aan de bepaling in de vennootschapsakte over arbeidsongeschiktheid, waarin exact is bepaald hoe het winstaandeel van een arbeidsongeschikte vennoot wordt berekend, kent de Raad in dit verband geen doorslaggevende betekenis toe. Uit de jaarstukken van vennootschap [naam vennootschap] blijkt namelijk dat in 2005 en 2006 is gekozen voor een andere winstverdeling, in afwijking van vennootschapsakte, waarbij rekening is gehouden met de arbeidsongeschiktheid van appellant en zijn winstaandeel lager is vastgesteld. Verder is in die jaren de door appellant ontvangen uitkering krachtens een particuliere arbeidsongeschiktheids-verzekering, in afwijking van de vennootschapsakte, niet betrokken in de winstverdeling en geheel aan appellant uitgekeerd.

4.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H. Bolt en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2012.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) H.L. Schoor.

GdJ