Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8313

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
11-1430 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om vergoeding van de niet door verzekering gedekte kosten van een knieoperatie. De knieklachten staan niet in verband staan met de vervolging, maar zijn duidelijk door andere oorzaken ontstaan. Er sprake van bestaande degeneratieve klachten, die twaalf jaar later als gevolg van de toenemende leeftijd zijn verergerd. Geen causaliteit. Voldoende medische onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1430 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], Zuid-Afrika (appellant)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 8 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUV van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 november 2010, kenmerk BZ01223178 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2012. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in 1926 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. Bij besluit van 16 mei 1997, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 september 1998, heeft verweerder hem erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Daarbij is in aanmerking genomen dat hij op verschillende plaatsen geïnterneerd is geweest. Verweerder heeft erkend dat de psychische klachten van appellant in verband staan met de vervolging. Wat betreft de rug- en knieklachten, en nadien ook de gebitsklachten, is geen causaal verband aangenomen.

1.2. In januari 2010 heeft appellant een aanvraag ingediend om vergoeding van de niet door verzekering gedekte kosten van een knieoperatie. Bij besluit van 28 mei 2010, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Daartoe is overwogen dat de knieklachten niet in verband staan met de vervolging, maar duidelijk door andere oorzaken zijn ontstaan.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Verweerder heeft reeds in 1997 vastgesteld dat de knieklachten van appellant niet aan de vervolging zijn te wijten. Daarbij is verweerder afgegaan op het advies van zijn adviserend geneeskundige, de arts J. Witpaard. Deze heeft mede gebruik gemaakt van gegevens van de behandelende sector, onder wie de orthopedisch chirurg I.M. Rogan. Witpaard was van oordeel dat de knieklachten op latere leeftijd zijn ontstaan en op degeneratieve afwijkingen berusten. Deze zienswijze vindt bevestiging in een op verzoek van verweerder in 1998 uitgebracht rapport van de orthopaedisch chirurg J.W. Pont. Ook uit dit rapport - dat mede berust op radiologisch onderzoek - komt naar voren dat de knieklachten pas vele jaren na de oorlog zijn ontstaan en dat sprake is van vroegtijdige degeneratieve veranderingen, die deel uitmaken van het proces van ouder worden.

2.2. Appellant heeft aangevoerd dat zijn knieklachten sindsdien zijn verergerd. Hij schrijft deze klachten toe aan de internering in het kamp, waar hij in de keuken zware voorwerpen heeft moeten tillen en dragen.

2.3. Verweerder heeft de aanvraag om advies voorgelegd aan zijn geneeskundig adviseur, de arts A.J. Maas. Deze heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevraagde verband houdt met de knieklachten die in het verleden op goede gronden als niet-causaal zijn geduid. Hij zag geen aanleiding om dit oordeel thans te wijzigen.

2.4. Naar aanleiding van het bezwaarschrift van appellant heeft verweerder nog advies ingewonnen bij een andere geneeskundig adviseur, de arts G.L.G. Kho. Ook deze is tot de conclusie gekomen dat sprake is van bestaande degeneratieve klachten, die twaalf jaar later als gevolg van de toenemende leeftijd zijn verergerd. Gelet hierop kunnen de klachten volgens hem niet als causaal worden aanvaard.

2.5. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze advisering deugdelijk voorbereid en voldoende gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs, heeft ingenomen. Hetgeen door appellant is aangevoerd wijst op verergering van de bestaande knieklachten. In de eerdere besluitvorming is reeds vastgesteld dat deze niet kunnen worden toegeschreven aan het verblijf in het kamp, maar dat zij - duidelijk - zijn veroorzaakt door een vroegtijdige natuurlijke ouderdomsslijtage. Appellant is van mening dat het sjouwen in het kamp wel degelijk de oorzaak is van de klachten. Hij heeft echter geen enkel objectief medisch gegeven aangedragen dat deze persoonlijke opvatting zou kunnen ondersteunen. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan verweerder niet onverkort aan zijn eerder ingenomen standpunt had mogen vasthouden.

2.6. Het beroep is dus ongegrond.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2012.

(get.) R. Kooper.

(get.) R.L.G. Boot.

HD