Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8305

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
10/5265 WUBO + 10/5266 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en vervolgde, dan wel gelijkstelling met de vervolgde, weigering WUBO- en WUV-uitkering. Vernietiging besluiten wegens strijd met art. 7:11, lid 1, Awb. De Raad voorziet zelf. Voldoende medische onderbouwing. Niet gebleken dat het kindertrauma bij appellant tot uiting is gekomen in psychische of lichamelijke aandoeningen die hebben geleid tot de blijvende invaliditeit die voor toepassing van de WUBO is vereist. Niet gebleken dat appellant vervolging heeft ondergaan in de zin van de WUV. De rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten blijven geheel in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5265 WUBO

10/5266 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

en

de Raadskamers WUBO en WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 8 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Deze gedingen, die aanvankelijk zijn gevoerd door de Raadskamer WUBO onderscheidenlijk de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), zijn in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO onderscheidenlijk Raadskamer WUV van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 augustus 2010, kenmerk BZ01214496 (bestreden besluit 1). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo).

Appellant heeft tevens beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 augustus 2010, kenmerk BZ01176253 (bestreden besluit 2). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2012. Voor appellant is als gemachtigde verschenen zijn broer [naam broer]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in 1932 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. Hij heeft op 20 augustus 2009 een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en vervolgde, dan wel gelijkstelling met de vervolgde, en om als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor toekenningen op grond van de Wubo en/of de Wuv.

1.2. Bij besluit van 18 maart 2010, na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit 1, heeft verweerder erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant is geconfronteerd met het lichaam van zijn vader, kort nadat deze als gevolg van mishandelingen door de Japanners was overleden. De aanvraag op grond van de Wubo is echter afgewezen. Daartoe is overwogen dat niet is gebleken van blijvende invaliditeit ten gevolge van het oorlogsgeweld.

1.3. Bij besluit van eveneens 18 maart 2010, na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit 2, heeft verweerder de aanvraag op grond van de Wuv afgewezen. Daartoe is overwogen dat niet kon worden vastgesteld dat appellant vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. Verder is overwogen dat de vader van appellant ten gevolge van vervolging is overleden. Appellant is echter niet om die reden met de vervolgde gelijkgesteld, omdat volgens verweerder geen sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs met het overlijden van de vader verband houden.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3. Appellant heeft aangevoerd dat verweerder bij het nemen van de bestreden besluiten ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het gestelde in de brief van zijn gemachtigde van 21 juli 2010 en de daarbij behorende bijlagen. Deze beroepsgrond slaagt. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de bedoelde brief ten onrechte is gevoegd in de persoonlijke bezwaardossiers van de gemachtigde, die inmiddels deel uitmaken van diens bij de Raad onder de zaaknummers 11/2820 en 11/426 aanhangige beroepszaken. Als gevolg daarvan is de brief bij het nemen van de thans bestreden besluiten buiten beschouwing gebleven.

3.1. De Raad is van oordeel dat de bestreden besluiten om deze reden zijn genomen in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarin is - voor zover hier van belang - bepaald dat heroverweging plaats vindt op grondslag van het bezwaar. Dat dit onvoldoende is gebeurd, acht de Raad niet slechts een schending van een vormvoorschrift die - zoals door verweerder bepleit - met toepassing van artikel 6:22 van de Awb zou kunnen worden gepasseerd. De bestreden besluiten zullen daarom worden vernietigd.

4. Nu verweerder bij het opstellen van de verweerschriften alsnog met de brief van 21 juli 2010 rekening heeft gehouden, zal de Raad zelf in de zaak voorzien. Daartoe wordt het volgende overwogen.

De Wubo.

4.1. In artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt omschreven wie onder burger-oorlogsslachtoffers worden verstaan. Tot deze groep behoren degenen die tijdens de oorlogsjaren 1940 1945 of gedurende de daaraan aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalig Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiapperiode) als burger lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen ten gevolge van - voor zover hier van belang - confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter.

4.2. Verweerder heeft de aanvraag van appellant om advies voorgelegd aan zijn geneeskundig adviseur, de arts R.J. Roelofs. Deze is op grond van het rapport van een huisbezoek door de arts R.M.A.G. Brouns en gegevens van de huisarts tot de conclusie gekomen dat bij appellant nooit sprake is geweest van psychische stoornissen. Ook de thans optredende licht dementiële verschijnselen zijn niet causaal te zien in relatie tot het oorlogsverleden. De lichamelijke klachten, te weten hypertensie, gewrichtsklachten en een nierfunctiestoornis, zijn op latere leeftijd ontstaan en moeten worden gezien als een gevolg van leeftijd, genetische predispositie en leefwijze, aldus Roelofs.

4.3. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat verweerder heeft miskend wat de confrontatie met het mishandelde lichaam van zijn vader psychisch voor hem heeft betekend. Volgens hem is sprake van een kindertrauma, dat gelijk is te stellen aan geestelijke invaliditeit.

4.4. Verweerder heeft het bezwaar voorgelegd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts A.J. Maas. Deze heeft zich op het standpunt gesteld dat de advisering door Roelofs op goede gronden tot stand is gekomen. Niet is gebleken van aan de calamiteit gerelateerde psychische of lichamelijke klachten. Relevante nieuwe feiten of omstandigheden zijn niet naar voren gebracht, aldus Maas.

4.5. De Raad acht de aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegde zienswijze van verweerder op grond van deze advisering deugdelijk voorbereid en voldoende gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs, heeft ingenomen. Zonder enige twijfel is de confrontatie met de mishandelde en stervende vader, en vervolgens met diens dode lichaam te midden van andere lijken, voor appellant een gruwelijke ervaring geweest, die hem zijn hele verdere leven is bijgebleven. Daardoor heeft appellant vanaf jeugdige leeftijd een zware geestelijke last met zich meegedragen, die hij zelf aanduidt als een kindertrauma. Dit kindertrauma is echter anders dan appellant uit de tekst van de wet afleidt op zichzelf niet voldoende voor toepassing van de Wubo. Niet is gebleken dat het kindertrauma bij appellant tot uiting is gekomen in psychische of lichamelijke aandoeningen die hebben geleid tot de blijvende invaliditeit die voor toepassing van de Wubo is vereist.

4.6. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand kunnen blijven.

De Wuv.

4.7. In artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wuv wordt omschreven wat onder vervolging wordt verstaan. Daartoe behoort iedere handeling of maatregel welke tijdens de oorlogsjaren 1940 1945 door of namens de vijandelijke bezettende machten werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homosexualiteit, dan wel op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, en welke heeft geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, of tot onderduiken om aan vrijheidsberoving te ontkomen.

4.8. Terecht en onbestreden heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat appellant vervolging heeft ondergaan in de hiervóór bedoelde zin.

4.9. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wuv kan een persoon onder bepaalde omstandigheden met de vervolgde worden gelijkgesteld, indien het niet toepassen van deze wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

4.10. Verweerder heeft overwogen dat in dit geval voor gelijkstelling met de vervolgde geen aanleiding bestaat, omdat bij appellant geen sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het omkomen van de vader. Ook dit aan bestreden besluit 2 ten grondslag liggende standpunt acht de Raad met de medische adviezen van Brouns, Roelofs en Maas voldoende onderbouwd. Andersluidende medische gegevens zijn niet naar voren gekomen.

4.11. De rechtsgevolgen van bestreden besluit 2 kunnen dus eveneens geheel in stand blijven.

5. Van proceskosten die met toepassing van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Reis- en verblijfskosten van de gemachtigde komen in diens eigen beroepszaken aan de orde.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten van 26 augustus 2010 en 24 augustus 2010;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel in stand blijven;

Bepaalt dat de Pensioen en Uitkeringsraad aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 70, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2012.

(get.) R. Kooper.

(get.) R.L.G. Boot.

HD