Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8303

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
11-847 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WUBO-uitkering. Geen sprake van blijvende invaliditeit in de zin van de WUBO als gevolg van het ondergane oorlogsgeweld. Geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerder ingenomen standpunt. Voldoende medische onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/847 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 8 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 december 2010, kenmerk BZ01234370 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2012. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1936 in het toenmalige Nederlands-Indië, heeft in januari 2010 bij verweerder een aanvraag ingediend om op grond van de Wubo te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering.

1.2. Bij besluit van 29 juli 2010, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat bij appellant geen sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo als gevolg van het ondergane oorlogsgeweld.

2. Appellant heeft in beroep onder meer aangevoerd dat hij door de verschrikkingen in de oorlog geen normale jeugd heeft gehad en verder dat hij bij het medisch onderzoek verzuimd heeft aan te geven dat sprake is van angstdromen en onrustig slapen.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Bij het primaire besluit van 29 juli 2010 heeft verweerder erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo, te weten de internering (van 5 maanden) in kamp De Wijk te Malang tijdens de Bersiap-periode in het toenmalige Nederlands-Indië. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wubo moet de Raad beoordelen of verweerder op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat bij appellant geen sprake is van met die internering samenhangend tot blijvende invaliditeit leidend letsel.

3.2. Het standpunt van verweerder dat geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld is in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van verweerder. Deze adviezen berusten op een rapport van een door de arts G.J. Laatsch verricht onderzoek van appellant en de in bezwaar alsnog ontvangen informatie van de huisarts. In de medische adviezen is aangegeven dat de internering niet van betekenende invloed is geweest op het ontstaan van de bij appellant aanwezige psychische klachten (persoonlijkheidsproblematiek) maar dat deze klachten uit andere oorzaken zijn ontstaan. Zo wordt verwezen naar constitutionele factoren alsook naar de opvoedingssituatie - voor en na de internering - terwijl niet de internering maar wel de periode van Japanse bezetting als ingrijpende gebeurtenis lijkt te zijn ervaren.

3.3. Naar het oordeel van de Raad is het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de ter beschikking staande medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerder ingenomen standpunt. Medische gegevens waaruit blijkt dat het rapport van Laatsch een onderschatting inhoudt van de bij appellant aanwezige klachten heeft appellant niet overgelegd. De enkele mededeling van appellant dat hij zich tijdens het onderhoud met Laatsch niet volledig heeft geuit is onvoldoende om het standpunt van verweerder voor onjuist te houden.

3.4. Verweerder heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat het door appellant ondergane oorlogsgeweld niet heeft geleid tot blijvende invaliditeit. Hierbij wordt opgemerkt dat de verschrikkingen van een oorlog en de daarmee verband houdende slechte (leef)omstandigheden op zichzelf niet bij de (medische) beoordeling op grond van de Wubo kunnen worden betrokken. Deze omstandigheden moeten worden aangemerkt als algemene oorlogsomstandigheden, waarmee iedereen geconfronteerd kon worden. De Wubo alleen ziet op persoonlijke betrokkenheid bij specifieke oorlogssituaties. Verder valt de door appellant genoemde aanval van kapitein Westerling op Bandoeng buiten het tijdsbestek van de Wubo.

3.5. De Raad ziet nog aanleiding op te merken dat indien er sprake is van verergering van de bij appellant aanwezige klachten, het hem vrij staat om zich op grond van die verergering opnieuw met een aanvraag tot verweerder te wenden.

3.6. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2012.

(get.) R. Kooper.

(get.) R.L.G. Boot.

HD