Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8302

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
11-2820 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenloopaanvraag om toekenning WUBO- en WUV-uitkering, naar gelang het gunstigst is. Weigering WUBO-uitkering berust op goede gronden. Binnen de door de WUBO bepaalde - strikte - grenzen kan alleen een compensatie worden verleend voor als gevolg van oorlogsinvaliditeit ingetreden inkomensverlies en/of verdiencapaciteit. Hiervan is geen sprake. Relevant is ook alleen de invaliditeit die in verband staat met voor de Wubo erkende oorlogsgebeurtenissen. In dit geval is dit uitsluitend de confrontatie met het lichaam van de vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/235 met annotatie van L.M. Koenraad
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11//2820 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], Zwitserland (appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 8 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk werd gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellant heeft tevens beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 december 2010, kenmerk BZ01241441 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2012. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is geboren in 1934 in het toenmalige Nederlands-Indië. Hij heeft in september 2009 een zogenoemde samenloopaanvraag ingediend om toekenning van onder meer een periodieke uitkering op grond van de Wubo dan wel de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), naar gelang voor hem het gunstigst is. Met betrekking tot de Wuv verwijst de Raad naar zijn uitspraak van heden met nummer 11/426 WUV.

1.2. Bij besluit van 31 mei 2010 (besluit I) heeft verweerder appellant op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant is geconfronteerd met het lichaam van zijn vader, kort nadat deze ten gevolge van mishandelingen was overleden. Aan appellant zijn met ingang van 1 september 2009 toegekend de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wubo en enige voorzieningen. De aanvraag om een uitkering is afgewezen op de grond dat appellant door zijn oorlogsinvaliditeit nooit werkzaamheden in beroep of bedrijf heeft moeten beëindigen of verminderen. Vanwege de hoogte van zijn inkomsten is appellant evenmin in aanmerking gebracht voor een garantie-uitkering. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering hem in aanmerking te brengen voor een uitkering.

1.3. Bij besluit van 30 september 2010 (besluit II) heeft verweerder besluit I ingetrokken en de ingangsdatum van de toeslag en de voorzieningen nader bepaald op 1 juli 2008.

1.4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen besluit I ongegrond verklaard.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Het intrekken van besluit I leidt er toe dat het daartegen gemaakte bezwaar op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht werd mede te zijn gericht tegen besluit II. Uit het bestreden besluit komt dit

- zoals verweerder ter zitting heeft erkend - niet naar voren. Om deze reden is het bestreden besluit genomen in strijd met het bepaalde in de genoemde wetsartikelen. Anders dan door verweerder in beroep is bepleit, betreft dit geen vormvoorschrift waarvan de schending met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd. Het bezwaar gericht tegen besluit I dient niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Met betrekking tot het bezwaar gericht tegen besluit II overweegt de Raad als volgt.

2.2. Op grond van artikel 7, aanhef en onder a, van de Wubo is voor toekenning van een periodieke uitkering onder meer vereist dat het burger-oorlogsslachtoffer ten gevolge van zijn voor de toepassing van de Wubo in aanmerking te nemen invaliditeit gedwongen is geweest zijn werkzaamheden in beroep of bedrijf te beëindigen of blijvend te verminderen.

2.3. Uit het ten behoeve van de onderhavige aanvraag opgestelde sociaal rapport komt naar voren dat appellant na een voltooide HTS-opleiding een ononderbroken carrière heeft gehad als ingenieur en dat appellant in 1999 - rond het bereiken van de 65-jarige leeftijd - deze werkzaamheden heeft beëindigd vanwege zijn pensionering. Ook is vermeld dat appellant nooit eerder vanwege medische redenen is gestopt met werken.

De Raad kan dan ook het standpunt van verweerder dat de werkbeëindiging van appellant niet op grond van zijn oorlogsinvaliditeit heeft plaatsgevonden niet voor onjuist houden. Dit geldt ook voor de weigering om appellant in aanmerking te brengen voor een garantie-uitkering nu onbetwist vaststaat dat niet wordt voldaan aan de (inkomsten)voorwaarde die daarvoor wordt gehanteerd.

2.4. De Raad merkt nog op dat, anders dan appellant blijkbaar voor ogen heeft, de Wubo niet de mogelijkheid biedt een schadevergoeding dan wel genoegdoening toe te kennen voor al het tijdens de oorlogsjaren doorgemaakte leed. Binnen de door de Wubo bepaalde - strikte - grenzen kan alleen een compensatie worden verleend voor als gevolg van oorlogsinvaliditeit ingetreden inkomensverlies en/of verdiencapaciteit. Zoals hiervoor is overwogen, is daarvan in dit geval geen sprake. Relevant is ook alleen de invaliditeit die in verband staat met voor de Wubo erkende oorlogsgebeurtenissen. In dit geval is dit uitsluitend de confrontatie met het lichaam van de vader.

2.5. Het voorgaande betekent dat het bezwaar tegen besluit II ongegrond dient te worden verklaard.

3. De Raad acht tot slot termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant, bestaande uit reis- en verblijfkosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 167,92. De overige door appellant gemaakte reis- en verblijfkosten voor onder meer het bezoeken van verschillende instanties in Nederland kunnen niet voor vergoeding in aanmerking worden gebracht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 31 mei 2010 niet-ontvankelijk;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 30 september 2010 ongegrond;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 167,92;

Bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2012.

(get.) R. Kooper.

(get.) R.L.G. Boot.

HD